Zandloper

Mijn tenen duiken als synchroonzwemmers
kopje onder in het fluweelzachte zand
met gebruinde vingers trek ik velletjes
van je zonverbrande schouderbladen
Jouw hand vormt een zandloper
die de tijd koel en kriebelig laat verstrijken
over de binnenkant van mijn benen
De zee ademt ruisend in
het duingras volgt de trage choreografie
van de fluisterende wind
in de branding springen kinderen
over brekende golven
een hond schudt glinsterende waterdruppels
uit zijn doorweekte vacht
de wijnrode druiven
exploderen als zoete granaten
tegen mijn gehemelte
Het zout van de frietjes
uit het bakje dat we delen prikt
op onze schraal gekuste lippen
blijft de glimlach langer hangen
dan de vliegers aan de strakblauwe hemel

Vagevuur

Verstrikt in klamme lakens
trekt zweet een omlijning
om onze lichamen als krijt
om de doden
De aarde dwingt ons ongenadig
op de knieën
drukt ons tegen haar brandende boezem
en tracht ons tegelijkertijd tevergeefs
van haar af te schudden
terwijl we gutsen en druipen
verlangend omhoogkijken
vraag ik me angstvallig af
of dit nu de zomer
van twintig twintig is
of toch misschien
het vagevuur