Taart

Mijn verjaardagstaart staat midden op de tafel. De verpleegkundige, die ik in gedachten ‘Jabba the Hut’ noem vanwege haar indrukwekkende omvang, haalt een mes op uit de personeelskeuken zodat de slagroomtaart aangesneden kan worden. In het kleine keukentje bij de woonkamer waar we zitten zijn scherpe voorwerpen uit den boze en op mijn taartbordje ligt dan ook een plastic vorkje dat net zo broos is als mijn geestelijk gestel.

Jabba komt met het mes hoog opgeheven terug gewaggeld, alsof ze net het zwaard Excalibur heeft bemachtigt.

‘Zo, dat maakt het een stuk makkelijker om deze prachtige taart te verdelen.’ Ze gebruikt de overdreven opgewekte toon die veel hulpverleners opzetten in onze aanwezigheid en ze moet haar stem verheffen om boven het geschreeuw van Joep uit te komen, die van slag is omdat hij een van zijn badslippers is kwijtgeraakt. We dragen hier allemaal badslippers. Met sportsokken. Behalve Edgar, die draagt rode pumps, of ballerina’s met polkadots.

Mijn moeder, die de taart heeft meegenomen, zit links van mij tussen de twee Wilma’s in en speelt nerveus met haar gouden oorbel. De ene Wilma schommelt met een gelukzalige glimlach van voor naar achteren en de andere is verwikkeld in een geanimeerd gesprek over haar diabetes, al is het niet helemaal duidelijk wie haar gesprekspartner is. Onze blikken kruisen elkaar en mijn moeder schenkt me een glimlach die haar ogen niet bereikt. Ik wil haar glimlach beantwoorden maar mijn lippen zijn zo gebarsten van de droge ziekenhuislucht en de medicatie dat ik de tere huid voel scheuren, en ik wend mijn blik af. Ik peuter aan het verband dat om mijn polsen gebonden zit. De wonden jeuken, wat betekent dat ze helen. Deze wonden wel.

Het gezelschap aan tafel wordt weerspiegeld in het raam ernaast en ik kijk naar mijn reflectie. Mijn lange bruine haar ziet er woest uit en de kringen onder mijn ogen zijn zo donker dat het lijkt alsof iemand mij twee blauwe ogen heeft geslagen. Ik bestudeer het spookachtig witte gezicht dat naar mij terugkijkt en heb moeite om mijzelf erin te herkennen.

De andere verpleegkundige, Peter-Paul, die achter zijn rug om Peter-Pervert wordt genoemd vanwege zijn onhebbelijke gewoonte zonder te kloppen je kamer of douche binnen te lopen, heeft Joep inmiddels enigszins weten te kalmeren en ze schuiven beiden aan. Joeps gezicht is vlekkerig, en hij draagt alleen zijn linker badslipper. Er hangt een snotdruppel aan zijn neus maar hij lijkt het niet te merken. Jabba snijdt mijn verjaardagstaart in evenredige stukken en legt bij iedereen een stuk op het bordje. Wendy, die hier tijdelijk is omdat er geen plek op de afdeling voor eetstoornissen was, schuift het bordje gelijk weg en gaat demonstratief achterover zitten met haar armen zo dun als luciferstokjes over elkaar geslagen.

Boven de tafel hangt een enigszins verfrommelde verjaardagsslinger waarvan de kleuren door de zon wat vervaagd zijn. ‘GEFELICITEER’ staat erop. De ‘D’ is waarschijnlijk vele verjaardagen geleden al onopgemerkt verdwenen. In mijn stukje taart wordt één klein kaarsje gestoken. Vijfentwintig konden het er niet zijn vanwege de rookmelders, maar eigenlijk begin ik weer opnieuw met tellen en in zekere zin voelt het ook als mijn eerste verjaardag.

Mijn moeder steekt het kaarsje aan. Haar vingers zijn geel van de nicotine en trillen een beetje.

‘Even zingen met zijn allen?’, vraagt Jabba, maar het is niet echt een vraag want ze zet gelijk met luide stem in, ‘lang zal ze leven, lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria,’ en ik vraag me af of ik de enige ben die hier de ironie van inziet. Terwijl ik het kaarsje uitblaas begint Joep weer te schreeuwen. Edgar danst in een kleurrijk gewaad rond de rafel, Wendy geeft haar bordje nog een zet, en de taart belandt met een flats op het gele linoleum. De stemmen in mijn hoofd lachen, mijn onderlip scheurt open en de ijzeren smaak van bloed vermengt zich in mijn mond met die van slagroomtaart, en voor het eerst in lange tijd lach ik mee.

Verjaardagsstress

Vandaag ben ik voor de tweeëndertigste keer jarig en ik zou deze dag het liefste op een onbewoond eiland willen doorbrengen. Ik ben namelijk niet zo goed in jarig zijn, en vind het een ingewikkelde sociale situatie.
Ten eerste word je er aan herinnert dat je alweer een jaar ouder bent geworden. Al viel dat dit jaar ontzettend mee. Ik dacht namelijk het grootste gedeelte van dit jaar dat ik al tweeëndertig was, maar ik blijk het nu pas te worden. Als de leeftijdsdementie begint wordt men echt oud.
Ten tweede sta je voor een heleboel dillema’s. Ga ik mijn verjaardag vieren? (met een moeder als de mijne kom je daar niet onderuit dus die beslissing wordt meestal voor mij gemaakt), Wie nodig ik dan uit? Meng ik familie en vrienden? Passen die mensen allemaal bij elkaar? Wordt het een oer Hollands partijtje waarbij we in een kringetje zitten en er blokjes kaas en plakjes worst op tafel staan, of geef ik een groot feest waarbij de muziek zo hard staat dat je tegen elkaar moet schreeuwen en de drank rijkelijk vloeit? Allemaal zaken waar ik dagenlang over kan piekeren.
Als ik dan de knoop heb door gehakt en besluit het ‘heugelijke’ feit te vieren begint de ellende eigenlijk pas echt. Met als eerste natuurlijk het in ontvangst nemen van cadeaus. Ik word daar altijd vreselijk ongemakkelijk van. Want ongeacht het cadeau, mijn reactie komt er altijd een beetje bescheten uit. Je wilt natuurlijk niet dat iemand denkt dat je het presentje niet leuk vindt, dus een beetje enthousiasme is verplicht. Maar hoe enthousiast moet je worden van geurkaarsjes en warme sokken? Ik vind het lastig om daar de goede gradatie in te vinden waardoor mijn reactie altijd lijkt op die van een slechte actrice in een Nederlandse B-film.
Als die sociale marteling voorbij is begint het grote heen en weer lopen. Want hoewel je zou verwachten dat je als jarige op je wenken wordt bedient, is het juist gebruikelijk dat jij er voor zorgt dat iedereen van alles voorzien is. Het voeren van een diepzinnig gesprek met een van je gasten is er dan ook niet bij, want je moet om de haverklap glazen bijvullen, in de keuken staan om hapjes te maken en chips in bakjes te doen, wat als gevolg heeft dat, als je even een momentje hebt om te zitten, iedereen al met elkaar in gesprek is waardoor je er als een soort toeschouwer bij zit. Een goed moment om iedereen te observeren en je paniekerig af te vragen of iedereen het wel naar zijn zin heeft, want op een of andere manier is dat jouw verantwoordelijkheid.
Met weemoed denk ik terug aan mijn kinderfeestjes, waar ik zelf niks voor hoefde te regelen en iedereen content was met koekhappen, zaklopen of gewoon als een idioot achter elkaar aanrennen tot de ramen beslagen waren, zwemkleding meenemen en je wordt weer thuisgebracht. Zo simpel. Of de feestjes die ik als puber gaf, in het huis van mijn ouders, zonder ouderlijk toezicht uiteraard, waarbij er altijd wel iemand over zijn nek ging, de vloer plakte van de omgevallen biertjes en de muziek zo hard stond dat ik niet kon horen dat de buren belden om te klagen.
Soms fantaseer ik dat iemand een surprise party voor mij heeft georganiseerd, zodat ik mijn verjaardag kan vieren zonder alle bijbehorende hoofdbrekens. Maar ik vraag mij dan tegelijkertijd af hoe leuk ik het zou vinden als ik onverwachts door een man of dertig wordt toegeschreeuwd. Ik geloof dat ik dan wel klaar ben voor een adult diaper.
Dus mocht je mij volgend jaar willen verblijden met een geschenk? Een retourtje Rottumerplaat op 8 december alstublieft.