Wie niet weg is

Dit verhaal werd gepubliceerd in literair tijdschrift Op Ruwe Planken

De rook sijpelde als uitgestrekte vingers onder zijn slaapkamerdeur vandaan. Dat was het eerste wat hij zag toen hij zijn ogen opende, waar meteen tranen in sprongen. Uit gewoonte trok hij zijn versleten pantoffels aan alvorens de kamer uit te sprinten.

In de voorkamer likten blauw-gele vlammetjes aan de oude eikenhouten balken in het plafond. De keuken stond in lichterlaaie. Daar moest de brand ontstaan zijn. Hij keek naar de vuurzee en realiseerde zich dat zijn ouderlijk huis, de honderdjarige boerderij die voornamelijk uit oud hout bestond, onherroepelijk verloren was en hij draaide zich weer om. Hij sloot de slaapkamerdeur, stapte uit zijn pantoffels, die hij weer naast het bed neerzette, en kroop terug onder de deken die zijn lichaamswarmte vast had gehouden.

*

Als ze het durfde bleef ze soms even staan. Door de vuile ruiten zag ze een vaag lichtje en dan wist ze dat hij daarbinnen was. Maar ze liep steevast snel weer door. Tijdens de boswandeling dacht ze er over na. Fantaseerde ze dat zij het was die hem redde. Want dat was immers wat zij deed. Redden. Gewonde vogels, verstoten kittens en beschadigde mannen.

Als kind koos ze in speelgoedwinkels de meest afzichtelijke pluche beesten uit. De gedachte dat niemand hen wilde hebben kon ze niet verdragen. Haar psychiater zei dat ze al haar aandacht op anderen richtte om niet naar zichzelf te hoeven kijken. Een overlevingsmechanisme had hij het genoemd.

*

Hij legde zijn hoofd op het kussen. Op het sloop stond ooit een race auto afgebeeld die nu onherkenbaar vervaagd en vergeeld was. De verjaardag waarop hij de dekbed set had gekregen kon hij zich nog herinneren.

De bosanemonen stonden in bloei waardoor de hele achtertuin aan een sprookjesbos deed denken. Ondanks de warme lentezon had Ma een wollen deken over haar benen gelegd. Op de picknicktafel stond slagroomtaart en groene limonade. Hij had stiekem op de hooizolder gespeeld totdat Pa hem met bulderende stem de schuur uit had gejaagd.

In de keuken hoorde hij glas uit elkaar spatten. De rook kwam nu in dikke slierten onder de deur door.

Niet lang na die verjaardag was Ma gegaan. Een tijdje was er een constante stroom van mensen geweest. Vrouwen die hem over zijn bol aaiden en mannen die hem knul of jochie noemden. Vaak namen ze eten mee. Daarna kwam het Grote Zwijgen.

Ma had het huis gevuld met woorden. Het hologige wezen dat ooit zijn vader was geweest leek naast zijn vrouw ook zijn spraakvermogen te zijn verloren.

Hij keek naar de trouwfoto die op zijn nachtkastje stond. Zijn ouders in sepia. Het was het enige dat hij uit de ouderlijke slaapkamer had gehaald. Het was niet in hem opgekomen om er te gaan slapen.

Het ging geleidelijk. Een melkbus verbrijzelde Pa’s voet en vanaf dat moment leefden ze van Pa’s uitkering. Hij sloeg twee klassen over. De koeien werden weggehaald. De stofzuiger ging kapot. Op het rieten dak groeide mos. Lampen werden niet vervangen. Wat op de vloer viel bleef liggen. Hij kreeg en verloor een baan. De stroom werd afgesloten. Pa werd grijs. Hij werd kaal. Ze waren een eiland. En op een dag was hij de enige bewoner. Soms zei hij zijn eigen naam. Gewoon, om te horen of hij nog een stem had.

*

Vandaag. Dat had ze zich voorgenomen. Ze keek naar het zwakke lichtje achter het vuile ruit en omklemde met haar rechterhand stevig het handvat van het plastic tasje. Onderin zat haar gebloemde thermosfles, gevuld met koffie. Daar bovenop twee vrolijk gekleurde plastic mokken én een doosje met chocolade schelpen. Fruits de mer stond erop. Dat vond ze zo mooi en luxe klinken.

Ze wilde net het overwoekerde pad naast het boerderijtje op stappen toen haar oog op een enorme ladder in haar panty viel, die onder haar knie begon en eindigde bij haar enkel. Met haar hand bewoog ze er driftig overheen, alsof ze hem op die manier weg kon vegen. Even bleef ze aarzelend staan maar daarna draaide ze resoluut om. Een eerste indruk maak je maar een keer.

*

De mensen waren bang voor hem. Dat wist hij best wel. Vooral de kinderen. Die verstopten zich achter hun vader of moeder en gluurden naar hem, zich angstig vastklemmend aan een ouderlijk been. Vroeger had hij geprobeerd de angst weg te nemen. Leuk te doen. Later maakte hij er een sport van om meer angst in te boezemen dan nodig was. Het was beter de mensen op afstand te houden.

Soms ging hij voor zijn huis in de berm staan met een zeis nonchalant in zijn hand. En dan gewoon voor zich uit staren. Als er dan iemand langs kwam zag hij ze vanuit zijn ooghoek nog lang over hun schouder kijken en moest hij zich inhouden om niet te grinniken. Maar er kwam zelden iemand langs.

Er kwam met een donderend geraas iets naar beneden in de woonkamer. Een gedeelte van het dak was ingestort.

In de zomermaanden werd het pad, dat voor zijn huis liep en naar het bos leidde, wel gebruikt door toeristen. De mensen die in de omgeving woonden waren na verloop van tijd bijna allemaal een van de andere routes gaan gebruiken wanneer ze hun wandelingen maakten. De zelfkant van de maatschappij vermijdt men het liefst.

Eens in de zoveel tijd kwam iemand hem lastig vallen. Ze noemden zichzelf sociaal werker. Hij vond ze niet zozeer sociaal als wel opdringerig. Aangezien hij geen deurbel had stonden ze ongegeneerd door zijn ramen te turen. Veel konden ze er niet doorheen zien want de ramen waren zo zwart uitgeslagen van het vuil dat hij ook overdag een gaslamp aan moest hebben om iets te kunnen zien. Als hij het geklop op het raam of de deur hoorde was dat wat hij ineens zag.

Het vuil.

Het vuur maakte nu een bijna dierlijk geluid. Alsof het kleine boerderijtje verorberd werd door een bovennatuurlijk monster.

Dan zag hij zijn omgeving ineens door een vergrootglas. Al was het met het blote oog uiteraard ook duidelijk te zien. De vloerbedekking die er ooit had gelegen leek door de aarde opgeslokt te zijn en er was eigenlijk geen verschil meer te zien met de grond buiten. Op zolder stond een antieke, defecte stofzuiger. Hij kon zich nog herinneren hoe blij Ma met dat ding was geweest.

Overal lagen kleine bollen van stof en haar die als tuimel kruid in een Western over de vloer rolden als de lucht in beweging kwam. Een mens verliest meer haar dan je denkt.

Het toilet deed al meerdere decennia geen dienst meer als zodanig. Zijn behoefte deed hij gewoon buiten, of in een emmer die hij dan later leeggooide op de composthoop. Dat was het tweede waar hij zich ineens bewust van werd als iemand zijn territorium binnen probeerde te dringen. Hij rook het zelf niet meer, maar was ervan overtuigd dat de geur inmiddels overweldigend moest zijn.

De slaapkamerdeur was nu door de rook bijna aan het zicht onttrokken. Zijn keel begon te branden bij elke ademhaling en hij werd licht in zijn hoofd. Het was niet onaangenaam.

*

‘Kluizenaar komt om in vuurzee’. Zo had het in het plaatselijke krantje gestaan. ‘Zeer waarschijnlijk overvallen in zijn slaap’, aldus de brandweer. De dame van de gemeente kon haar niet vertellen of en wanneer er een begrafenis plaats zou vinden. Sporenonderzoek moest brandstichting nog uitsluiten.

Er was nog steeds een duidelijke brandlucht te ruiken. Onder haar zwarte begrafenis colbertje zocht een zweetdruppel langzaam zijn weg over haar rug. Het boerderijtje was vanwege instortingsgevaar omheind door grote hekken met zwart zeil. De witte bosanemonen die rondom groeiden staken fel af tegen de verkoolde ravage die tussen twee hekken door zichtbaar was. Ze legde het bosje bloemen dat ze had meegebracht tegen het hek, deed een stap naar achter en bleef even plechtig staan. Toen ze thuiskwam gooide ze al haar panty’s één voor één in de grijze container.

*

Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij voor het laatst een ander mens had gesproken maar het was mistig in zijn hoofd. Het was alsof er in hem iets ontbrak wat in andere mensen wel aanwezig was. Had hij het ooit wel gehad en was het samen met zijn moeder gestorven? Of was het er om te beginnen al nooit geweest?

Hij trok de deken over zijn hoofd en dacht weer terug aan die verjaardag. Hoe hij zich verstopt had op de hooizolder. Het stof dat in zijn neus prikte en het stro in zijn blote benen. Hoe veilig het gevoeld had onzichtbaar te zijn en van een afstand toe te kijken. Eigenlijk had hij zijn hele leven verstoppertje gespeeld, alleen was niemand hem komen zoeken.

Shut up & Write

Een paar maanden geleden zag ik op Facebook een oproepje voorbij komen van Shut Up & Write Leeuwarden. Hoewel mijn interesse gelijk gewekt was, kwamen er vooral allerlei gedachten naar boven waarvan ik vermoed dat menig schrijvend medemens ze wel herkent, zoals; “Ja, maar dan moeten we (ik spreek mijzelf nogal schizofreen aan in de meervoudsvorm) onze ouwe joggingbroek en slobbertrui verruilen voor echte kleren, ons haar kammen en het veilige huis verlaten, en nog erger, ons onder de mensen begeven, en nog veel erger, schrijven waar anderen bij zijn!”
De enigszins paranoïde, pessimistische kluizenaar in mij zag het al helemaal voor zich: in een ongemakkelijke stilte, enkel onderbroken door het dwingend tikkende geluid van een klok die het uur aftelt, aan tafel zitten met andere zielen, doen alsof ik iets te vertellen heb. Hell no, daarvoor trekt deze ‘loner’ haar sweatpants niet uit!
Gelukkig bevindt zich onder de vele persoonlijkheden in mijn hoofd ook een stem die ik ‘de blije muts’ heb genoemd. Ze staat in schril contrast met de pessimistische kluizenaar en veroorzaakt nogal eens innerlijke strubbelingen. De ‘muts’ zegt dingen die mijn moeder ook had kunnen zeggen, zoals; “Maar misschien ontmoet je daar wel interessante mensen, en, het is heel gezond om eens ergens aan mee te doen, of, kom toch eens van die bank af!”
Onder invloed van deze mentale woordenwisseling heb ik intussen toch weer terug gescrold naar het oproepje en mij in een vlaag van verstandsverbijstering aangemeld, wat direct resulteert in een aanval van hyperventilatie.
Maar afspraak is afspraak, zo ben ik dan ook wel weer, dus sta ik op de avond zelf ietwat onwennig voor Café de Strohoed mijn moed bij elkaar te rapen. Ik ben zoals altijd wat aan de vroege kant en stap veel zelfverzekerder dan ik me daadwerkelijk voel de kroeg in. Eenmaal binnen voer ik een verwarrend gesprek met Jan, de waard van het etablissement (die met zijn lange grijze haar overigens niet zou misstaan als een karakter in Lord of the Rings). Hij schijnt te denken dat ik de organisator ben van het gebeuren. “Ah, daar was je al,” mompelt hij, wat ik een vreemde begroeting vind voor iemand die ik nog nooit heb gezien, maar uit nervositeit antwoord ik alsnog met: “Ja, hier ben ik”, waarna we elkaar een poosje schaapachtig aan staan te kijken.
Nadat Jan mij een cola-berenburg heeft ingeschonken waarvan ik steil achterover sla, ga ik met mijn laptop aan de stamtafel zitten en richt mijn aandacht op mijn omgeving om de zenuwen onder controle te houden. De tijd lijkt hier stil te hebben gestaan. Bij de ingang neemt een oude telefoon met draaischijf, die ook werkelijk nog dienst doet als communicatiemiddel, een prominente plaats in en de muziek wordt afgespeeld van een cassettebandje dat minstens een kwart eeuw oud is. Maar de kroeg ademt sfeer en geschiedenis en ik voel me ineens op mijn gemak.
Als de mensen uiteindelijk binnen beginnen te druppelen en we het onvermijdelijke voorstelrondje achter de rug hebben, is het dan zover. We gaan schrijven. De tikkende klok die ik in gedachten had blijkt een veel minder angstaanjagend kookwekkertje in de vorm van een lieveheersbeestje te zijn, en al gauw merk ik dat ik niet meer bezig ben met de mensen om mij heen. De stemmen in mijn hoofd houden zich stil en ik krijg het warempel voor elkaar om een samenhangend verhaal te produceren.
In de trein terug naar huis zit de blije muts in mijn hoofd heel tevreden te zijn met zichzelf. “Zie je nou wel dat het leuk was, zie je nou wel!” De paranoïde kluizenaar zit een beetje verongelijkt te mopperen in een hoekje, maar echt overtuigend komt het niet over.
Eenmaal thuis schiet ik snel weer in mijn versleten, met verfvlekken bedekte joggingbroek en nestel me zuchtend van tevredenheid in de hoek van de bank, die zo langzamerhand mijn vorm aan begint te nemen, en bedenk me dat je alleen thuis kunt komen als je weg bent geweest. “Gaan we de volgende maand weer? Ja, we denken het wel.”