Voorgeborchte

Verstrikt in klamme lakens
trekt zweet een omlijning
om onze lichamen als krijt
om de doden
De aarde dwingt ons ongenadig
op de knieën
drukt ons tegen haar brandende boezem
en tracht ons tegelijkertijd tevergeefs
van haar af te schudden
terwijl we gutsen en druipen
verlangend omhoogkijken
vraag ik me angstvallig af
of dit nu de zomer
van twintig twintig is
of toch misschien
het voorgeborchte

Fantoom

Diep in mijn binnenste
voel ik je trappelen in
het donker van de nacht

Alsof je niet maanden geleden
warm en glibberig op
mijn buik gelegd werd

In mijn sluimering,
schemergebied tussen waken en slapen,
begrijp ik niet dat je
gewoon in je bedje ligt
vlakbij

Mijn lichaam zo lang jouw pulserende planeet
mijn hartslag het ritme van jouw dagen
mijn bloed jouw levenselixer,
dat een echo van jouw aanwezigheid
nagalmt in mijn lege schoot