Been

Regelmatig betrap ik mijzelf erop dat ik aan het been van mijn beppe zit te denken. Voor diegene die mij niet kennen (en waarschijnlijk ook voor diegenen die mij wel kennen) behoeft dit wellicht enige uitleg. Een stukje geschiedenis dus.

Toen mijn beppe (oma), genaamd Ybeltje, (for real) negentien was kreeg zij botkanker. Als gevolg van deze nare ziekte moest haar been geamputeerd worden. Nou is dat natuurlijk al vreselijk genoeg maar de situatie werd nog benarder doordat een prothese in die tijd onbetaalbaar was en niet vergoed werd vanuit een zorgverzekering maar uit eigen zak moest worden gefinancierd.

Mijn beppe kon dit niet betalen en dus besloten haar twee zussen en zes broers hun spaargeld bij elkaar te leggen om voor hun zus een been aan te schaffen. Ik vind dit een prachtig verhaal en heb mijn moeder vele malen gevraagd om het mij te vertellen.

Toen ik nog heel jong was had ik niet eens door dat mijn beppe één echt en één kunstbeen had. Dat ze wat vreemd liep viel in mijn grotendeels motorisch gestoorde familie niet zo heel erg uit de toon, en op schoot ging je gewoon op het zachte been zitten en niet op het oncomfortabele, harde been.

Pas toen ik haar een keer zonder haar prothese op één been door haar slaapkamer zag huppen realiseerde ik mij dat ze echt maar één been had, en pas vele jaren later dat zij dus een handicap had. Zo werd er door ons namelijk helemaal niet naar gekeken. Mijn beppe kon zich namelijk ondanks haar ‘beperking’ prima redden. Haar sierlijk gevormde wandelstok van glanzend hout verleende haar in plaats van een kwetsbare juist een elegante en bijna aristocratische uitstraling. Het feit dat zij stokdoof was vormde een grotere belemmering.

Het been fascineerde mij als kind mateloos. En al hoorde het bij haar als zij het aan had, toch was de engste plek om je tijdens een potje verstoppertje bij beppe op zolder te verschuilen, achter het gordijntje onder de schuine wand, waar ze haar reserve prothese bewaarde. Gehurkt naast het levenloze been werkten de angstaanjagende geluiden die de verwarmingsketel maakte altijd op mijn blaas en moest ik mijn schuilplaats dikwijls voortijdig verlaten om snel naar het toilet te rennen.

Toen mijn beppe op tweeëntachtig jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van een reeks hersenbloedingen was ik een puber en er staat me niet zo heel veel meer bij van die periode. Ik weet alleen dat ze klaar was met het leven en tegelijkertijd niet wilde gaan en dat ze de laatste keer dat ik bij haar was mijn hand heel lang en hard vasthield, zo hard dat ik me verwonderde over de kracht die er nog in dat oude kleine lijfje zat, en dat ik me groot wist te houden tot ik op de, naar kool stinkende, gang van het verzorgingshuis stond en me realiseerde dat ik haar waarschijnlijk nooit meer levend zou zien.

Ze werd begraven en ik geloof dat we van de erfenis uit eten zijn geweest met de familie, en toen was het op. Mijn moeder en tante hebben de weinige spulletjes die ze had uitgezocht. Meubeltjes naar de kringloop, de trouwringen van pake en beppe werden verdeeld en haar been ging naar een derde wereld land.

Dit is dus het betreffende been waar ik in de eerste zin van dit relaas naar verwees en waar mijn fantasierijke geest met mij op de loop gaat.

In mijn gedachten zie ik het been voor mij, tussen stapels gedumpte kleren die uit de mode zijn, in een doos, of misschien wel in een grote container gevuld met andere kunstmatige armen en benen, als de uitvergrote speelgoedkist van een sadistisch kind dat de ledematen van al haar poppen afgerukt heeft.

Ik zie voor me hoe het been de reis naar Afrika maakt, vanuit het vliegtuig wordt overgeladen in een oude krakkemikkige vrachtwagen, waarna het zijn reis vervolgd over slecht begaanbare wegen van rode aarde, op weg naar een klein dorpje met hutjes van klei of naar de townships waar een stad van golfplaten en rotzooi duizenden herbergt.

De vrachtwagen wordt uitgeladen en beppe’s been komt op een grote hoop terecht waar donkere handen tussen onze afdankertjes op zoek gaan naar nieuwe schatten. Een hand omklemt mijn beppe’s enkel en trekt het been tussen de stapels kleren vandaan, bekijkt het nauwkeurig van onder naar boven alvorens met het been onder de arm naar huis te rennen. Waar het been een nieuwe ouma (oma/beppe in het Afrikaans) als eigenaar krijgt, en voor iemand anders ‘ouma’s been’ word. Zo vervoert het been nog vele eigenaren, loopt het nog vele kilometers en draagt verschillende schoenen, zowel dames als heren. Totdat het zijn lading niet meer kan dragen en uiteindelijk bij iemand eindigt die het als een soort moderne kunst, morbide plantenbak of deurstopper gebruikt.

Als ik merk dat ik medelijden met mijzelf heb omdat ik nog steeds vrijgezel ben, geen leuke baan heb of mijn kleine teentje keihard stoot aan de tafelpoot, dan denk ik aan mijn beppe en haar been. Aan hoe zij zich moet hebben gevoeld toen ze haar been wegnamen en hoe zij met één been een geweldige man wist te strikken, een fijn gezin had en een humoristische, moderne vrouw was, en dan bedenk ik me dat het met mij, mét twee benen, ook heus wel goed komt .

Peter Pan syndroom

Vandaag stond ik op het punt om, via groupon, kaartjes te kopen voor een springkussen paradijs. Op het laatste moment kwam ik er, tot mijn grote teleurstelling, achter dat het alleen voor kinderen was. Ik lees boeken zoals De grijze jager en Harry Potter, speel graag met lego en heb as we speak een onderbroek aan met een afbeelding van Garfield erop (de kat, niet de president).

Hoewel ik bijna 32 ben verwijs ik nog steeds naar mijzelf als ‘meisje’. Op een of andere manier vind ik dat je pas een vrouw bent als je nieuw leven door je geboortekanaal hebt geperst (en een man bent als je daar als een hulpeloze idioot naast hebt gestaan).

Ik voel mij soms een beetje verloren in ‘de grote mensenwereld’. Misschien heeft dat iets met mijn geringe lengte te maken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Peter Pan vroeger een van mijn favoriete boeken was. Het idee eeuwig jong te blijven en al je volwassen verantwoordelijkheden te ontlopen sprak mij toen kennelijk ook al aan.

Al lijk ik voor de buitenwereld misschien (of misschien niet) een zelfstandige stabiele volwassene, in mijn hoofd ben ik nog steeds de kleuter die het niet kan laten om in die net bij elkaar geharkte hoop bladeren te springen of de puber die tijdens een begrafenis of belangrijke vergadering de neiging heeft om een hysterische lachbui te krijgen. Terwijl de trouw en geboortekaartjes steeds vaker in mijn brievenbus vallen, ben ik een tweeëndertig jarige werkloze, relatieloze en over een aantal maanden wellicht dakloze, infantiele dagdromer die geen idee heeft wat het plan is.

giphy

Ik verwonder mij er soms over hoe mensen het voor elkaar krijgen om veertig uur per week te werken, kinderen op te voeden, met vrienden af te spreken en ook nog tijd en energie hebben om hun huis zo schoon te houden dat je van de vloer kunt eten, terwijl ik in mijn pyjama en met een wilde haardos met de groene container achter de vuilniswagen aan moet rennen omdat ik de avond ervoor te lui was om hem bij de weg te zetten of het weer eens vergeten was.

De definitie van het woord volwassen is, het bereiken van een leeftijd waarop men geestelijk en lichamelijk volgroeid is en onafhankelijk kan leven. Juridisch gezien is dit op je 18e maar wanneer ben je nou echt geestelijk volgroeid en volledig onafhankelijk, if ever?

Ik dacht laatst eventjes dat het zover was, toen ik ineens ‘uit fietsen’ ging. Niet met een specifieke bestemming of om te sporten, maar gewoon voor de lol. Ik schrok me dood en heb daarna mijn fiets niet meer aangeraakt, behalve om er mee naar het station te gaan, zoals het hoort. Ik vind volwassen zijn namelijk best wel angstaanjagend en vooral ook erg saai. Wie vindt het nu leuk om belastingaangifte te doen, en ik wil mij helemaal niet bezighouden met gemeentelijke heffingen, uitstrijkjes of de politiek. Veel liever lees ik Ronja de Roversdochter voor de honderdste keer, teken ik gezichtjes op mandarijnen voor ik ze opeet en verdwijn ik gewoon in mijn eigen fantasiewereld.

Een teken van volwassenheid is zelfacceptatie. Ik heb besloten te accepteren dat ik misschien wel nooit volwassen zal worden. Misschien betekent dat dat het toch nog eens zal gaan gebeuren. Maar voor het zover is,

Wie gaat er mee naar het springkussen paradijs?

Gewoon even doorzetten

Vannacht droomde ik dat ik de liefde bedreef met een man die verkleed was als een sigaret en tijdens het ontbijt heb ik ernstig overwogen om mijn kat te wurgen omdat hij mij te lang aankeek terwijl ik met lange tanden mijn cornflakes weg probeerde te werken, oftewel ik ben gestopt met roken.

Op dit moment weet ik even niet meer wat mijn reden hiervoor precies was maar kennelijk vond ik dat het na ongeveer zeventien jaar genoeg was geweest, en het zal ongetwijfeld iets te maken hebben gehad met een visioen van mijzelf, rochelend achter een rollator met daarop een zuurstoffles en, heel koppig, een sjekkie in mijn mondhoek.

Ik herinner mij mijn eerste sigaret nog als de dag van gisteren. Nieuwsgierigheid en een puberale drang om alles te proberen, hadden mij op het balkon van mijn ouders, die uiteraard niet thuis waren, doen belanden, waar ik met trillende vingers verscheidene pogingen moest doen om een lucifer af te strijken om daarmee de peuk aan te steken.

De eerste hijs deed mijn longen branden, mijn ogen tranen en ik schrok omdat ik beneden een deur dicht hoorde slaan, verslikte me in de rook wat een krampachtig, half gesmoorde hoestbui tot gevolg had. Nadat ik mij ervan had verzekerd dat er niemand was die mij kon betrappen nam ik voorzichtig een tweede hijs. Dat ging al een stuk beter maar ik was nog steeds niet bijzonder onder de indruk van deze eerste ervaring.

‘Gewoon even doorzetten’, zegt mijn moeder altijd, dus binnen een paar weken was ik op school een vaste bezoeker van de rokershoek. Hoewel mijn ouders beiden rookten wilden ze liever niet dat ik deze zeer aangename hobby ook zou gaan beoefenen, dus hield ik mijn nieuw gevonden liefde geheim. Dat ik uiteindelijk toch moest bekennen dat ik was gezwicht voor de verleiding kwam doordat ik mijn been brak en tijdelijk mijn bewegingsvrijheid kwijt raakte. Na een pijnlijke, wanhopige en denigrerende speurtocht door mijn ouderlijk huis, op zoek naar rookwaar, waarbij ik mij achterstevoren op mijn bips moest voortslepen, besloot ik open kaart te spelen. Mijn ouders waren niet boos, maar teleurgesteld, wat natuurlijk nog vele malen erger is.

De eerste sigaret in het bijzijn van mijn ouders kan ik me ook nog levendig voor de geest halen. Met het schaamrood op de kaken doen alsof je heel onverschillig en nonchalant bent terwijl je eigenlijk het gevoel hebt alsof je zojuist midden op de eettafel een keutel hebt uitgekakt.

Maar goed, gewoon even doorzetten, en al gauw was mijn sigaretje mijn trouwe metgezel die mij bedaarde als ik woedend inhaleerde, mij troostte bij liefdesverdriet en ik tussen het snikken en snotteren verdrietige hijsjes nam, mij beloonde als ik eindelijk die enorme afwas had weggewerkt/die creatieve ingeving had/voer hier een andere onzinnige reden in, en die mij langzaam maar zeker vermoordde op deze en alle andere gedachteloze en in rookwolken gesluierde momenten.

Er is volgens mij nooit een goede timing om te stoppen met roken maar werkloos zijn maakt het niet makkelijker. Het voelt alsof ik een goede vriend verloren ben, of een stukje van mijzelf en ik loop als een gekooide tijger door mijn huis heen en weer. Continu die gedachte, ‘zo, en nu een peukje’, gevolgd door het tergende besef dat ik nu een niet-roker ben. Hoe kan het leven ooit nog leuk zijn zonder mijn sigaretje?

Ik vreet hele zakken wortels leeg als vervangende orale fixatie, bijt mijn nagels en ontdooi mijn diepvries ter afleiding (en dan is het ernstig) maar het is onbevredigend. Ik begeef me nog minder onder de mensen dan gewoonlijk, uit angst dat ik in een onbewaakt moment een moord bega omdat het fossiel voor mij in de rij in de supermarkt zijn boodschappen niet snel genoeg op de lopende band legt.

Natuurlijk zijn er ook voordelen. Ik ruik nu beter dat ik de kattenbak moet verschonen en proef dat de ham al te lang in de koelkast ligt. Om mezelf te helpen heb ik een ‘stoppen met roken’-app gedownload, waarin ik mijn voortgang kan bijhouden en de effecten van het niet-roken kan zien. Over vijftien jaar heb ik de schade hersteld die mijn ‘goede vriend’ in al die jaren heeft veroorzaakt. Gewoon even doorzetten.

Verjaardagsstress

Vandaag ben ik voor de tweeëndertigste keer jarig en ik zou deze dag het liefste op een onbewoond eiland willen doorbrengen. Ik ben namelijk niet zo goed in jarig zijn, en vind het een ingewikkelde sociale situatie.
Ten eerste word je er aan herinnert dat je alweer een jaar ouder bent geworden. Al viel dat dit jaar ontzettend mee. Ik dacht namelijk het grootste gedeelte van dit jaar dat ik al tweeëndertig was, maar ik blijk het nu pas te worden. Als de leeftijdsdementie begint wordt men echt oud.
Ten tweede sta je voor een heleboel dillema’s. Ga ik mijn verjaardag vieren? (met een moeder als de mijne kom je daar niet onderuit dus die beslissing wordt meestal voor mij gemaakt), Wie nodig ik dan uit? Meng ik familie en vrienden? Passen die mensen allemaal bij elkaar? Wordt het een oer Hollands partijtje waarbij we in een kringetje zitten en er blokjes kaas en plakjes worst op tafel staan, of geef ik een groot feest waarbij de muziek zo hard staat dat je tegen elkaar moet schreeuwen en de drank rijkelijk vloeit? Allemaal zaken waar ik dagenlang over kan piekeren.
Als ik dan de knoop heb door gehakt en besluit het ‘heugelijke’ feit te vieren begint de ellende eigenlijk pas echt. Met als eerste natuurlijk het in ontvangst nemen van cadeaus. Ik word daar altijd vreselijk ongemakkelijk van. Want ongeacht het cadeau, mijn reactie komt er altijd een beetje bescheten uit. Je wilt natuurlijk niet dat iemand denkt dat je het presentje niet leuk vindt, dus een beetje enthousiasme is verplicht. Maar hoe enthousiast moet je worden van geurkaarsjes en warme sokken? Ik vind het lastig om daar de goede gradatie in te vinden waardoor mijn reactie altijd lijkt op die van een slechte actrice in een Nederlandse B-film.
Als die sociale marteling voorbij is begint het grote heen en weer lopen. Want hoewel je zou verwachten dat je als jarige op je wenken wordt bedient, is het juist gebruikelijk dat jij er voor zorgt dat iedereen van alles voorzien is. Het voeren van een diepzinnig gesprek met een van je gasten is er dan ook niet bij, want je moet om de haverklap glazen bijvullen, in de keuken staan om hapjes te maken en chips in bakjes te doen, wat als gevolg heeft dat, als je even een momentje hebt om te zitten, iedereen al met elkaar in gesprek is waardoor je er als een soort toeschouwer bij zit. Een goed moment om iedereen te observeren en je paniekerig af te vragen of iedereen het wel naar zijn zin heeft, want op een of andere manier is dat jouw verantwoordelijkheid.
Met weemoed denk ik terug aan mijn kinderfeestjes, waar ik zelf niks voor hoefde te regelen en iedereen content was met koekhappen, zaklopen of gewoon als een idioot achter elkaar aanrennen tot de ramen beslagen waren, zwemkleding meenemen en je wordt weer thuisgebracht. Zo simpel. Of de feestjes die ik als puber gaf, in het huis van mijn ouders, zonder ouderlijk toezicht uiteraard, waarbij er altijd wel iemand over zijn nek ging, de vloer plakte van de omgevallen biertjes en de muziek zo hard stond dat ik niet kon horen dat de buren belden om te klagen.
Soms fantaseer ik dat iemand een surprise party voor mij heeft georganiseerd, zodat ik mijn verjaardag kan vieren zonder alle bijbehorende hoofdbrekens. Maar ik vraag mij dan tegelijkertijd af hoe leuk ik het zou vinden als ik onverwachts door een man of dertig wordt toegeschreeuwd. Ik geloof dat ik dan wel klaar ben voor een adult diaper.
Dus mocht je mij volgend jaar willen verblijden met een geschenk? Een retourtje Rottumerplaat op 8 december alstublieft.

Uitstelleritis

uitstelleritis

Al weken moet ik bellen naar Duo (of voor mijn mede dertigers misschien beter bekend onder de naam IBG). Om mijzelf te dwingen dingen te doen die ik eigenlijk liever niet wil doen maak ik ‘to do’ lijstjes zodat ik, nadat ik iets van het lijstje heb afgewerkt, dit heel bevredigend door kan strepen. Regelmatig komt het echter voor dat een item niet doorgestreept wordt maar gewoon van het ene to do lijstje naar het volgende verschuift, zo ook – bellen met Duo.

Vandaag had ik mijn lijstje weer gemaakt, en trots weggestreept;

kattenbakken verschonen

oud papier weggooien

stofzuigen

allergiemedicatie bestellen

Duo bellen

Ik sta, kauwend op mijn pen, naar het lijstje te kijken en overweeg om het gewoon door te strepen, alsof ik mijzelf daarmee voor de gek kan houden en kan doen alsof ik het daadwerkelijk heb afgehandeld. Zuchtend leg ik de pen weer neer en plof op de bank om op internet het telefoonnummer van Duo op te zoeken.

Uit automatisme open ik eerst mijn e-mail en ik zie dat ik een notificatie van Facebook heb, ik ben uitgenodigd voor een Halloween feestje. Ik klik op de melding en besluit dat ik wil komen, en kijk even wie er nog meer gaan. Voor ik het weet zit ik vakantiefoto’s te bekijken van de achterbuurvrouw van de halfzus van een oud collega die ik uit een ver verleden ken, die kennelijk een weekje naar Bora Bora is geweest, en heb ik achtereenvolgens uitgezocht wat een ticket naar Bora Bora kost (teveel voor iemand die werkloos is) en waar de naam Bora Bora eigenlijk vandaan komt (een Engelse verbastering van Pora Pora, wat ‘eerstgeborene’ betekent in het Tahitiaans).

Inmiddels ben ik alweer een kwartier verder en ik zeg tegen mezelf dat ik nu echt het telefoonnummer ga zoeken, maar niet voordat ik eerst nog heel even snel een kort filmpje kijk van een kitten die van de bank valt, gevolgd door een hond die verbazingwekkend goed kan skateboarden, een nijlpaard met een neusfluit en een giraf die in het gezicht van een baby niest, waarna ik mijn maag hoor rommelen en besluit om even snel iets te eten.

Natuurlijk heb ik geen brood meer in huis en moet ik eerst naar de supermarkt. Ik kijk op smulweb om inspiratie op te doen voor wat ik vanavond wil eten zodat ik alles in één keer kan halen. Na een half uur heb ik van aspergesoep naar zalm wraps gescrold en heb ik zoveel mogelijke maaltijden gezien dan ik het helemaal niet meer weet, en inmiddels verrek van de honger.

Op de fiets naar de supermarkt hoor ik in mijn hoofd een beschuldigende stem; ‘je hebt Duo nog steeds niet gebeld’, en ik moet aan mijn moeder denken die altijd zegt ‘stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen’. Ik zet het volume van mijn mp3 speler iets harder.

In de winkel sta ik nog tien minuten te twijfelen tussen de veertig verschillende soorten cornflakes, voordat ik afreken en daarna nog even bij de boekhandel langs ga, ik ben er nu toch.

Thuisgekomen nuttig ik een uitgebreide lunch waarna ik uiteraard eerst de afwas weg moet werken die al een aantal dagen steeds hoger opgestapeld is. ‘DuoDuoDuo!!’ klinkt het ondertussen dwingend in mijn hoofd, als een vastgelopen slechte plaat, en gedwongen door dit irritante mantra zoek ik eindelijk het telefoonnummer erbij. Met grote tegenzin pak ik mijn mobiel om het telefoontje te plegen en zie dat ik een paar whatsapp berichtjes heb. Die moet ik natuurlijk even beantwoorden en even later ben ik verwikkeld in een geanimeerd whatsapp gesprek met een vriendin over de complexiteit van de liefde en wat een ontzettende eikels mannen kunnen zijn. Voor de gezelligheid heb ik mijzelf maar een borreltje ingeschonken, en we keuvelen een eind weg.

Als we het gesprek afgerond hebben met een hoeveelheid aan liefdevolle smileys schiet me weer te binnen dat ik een telefoontje moest plegen en ik toets het nummer in. ‘Op dit moment zijn wij telefonisch niet bereikbaar, de Duo info lijn is elke werkdag geopend van negen tot vijf’.

Enigszins beschaamd verbreek ik de verbinding. Ik zet het morgen bovenaan mijn lijstje en dan bel ik gelijk, echt!

Wederhelft

Van het ene op het andere moment was je verdwenen. We waren een onafscheidelijk paar. En hoewel we beiden wat tekenen van slijtage begonnen te vertonen en we misschien meer op elkaar leken dan handig was, hoorden we echt bij elkaar. We deden alles samen en soms waren we zo één dat ik niet kon ontdekken waar jij eindigde en ik begon.

Waar jij nu bent is een van de grootste vragen des levens. Maar ik weet dat je daar niet de enige bent. Ik zal er waarschijnlijk nooit achter komen, maar ik hoop dat je gelukkig bent, waar je ook moge zijn.

De kans dat ik je weer zie is niet groot. Nu ik alleen ben laat men mij vaker links liggen. Soms word ik aan een ander gekoppeld maar het is niet hetzelfde.

Lieve linker sok, we gingen samen de wasmachine in maar ik kwam er zonder jou uit. Ik mis je, voor altijd de jouwe,

rechter sok

Shut up & Write

Een paar maanden geleden zag ik op Facebook een oproepje voorbij komen van Shut Up & Write Leeuwarden. Hoewel mijn interesse gelijk gewekt was, kwamen er vooral allerlei gedachten naar boven waarvan ik vermoed dat menig schrijvend medemens ze wel herkent, zoals; “Ja, maar dan moeten we (ik spreek mijzelf nogal schizofreen aan in de meervoudsvorm) onze ouwe joggingbroek en slobbertrui verruilen voor echte kleren, ons haar kammen en het veilige huis verlaten, en nog erger, ons onder de mensen begeven, en nog veel erger, schrijven waar anderen bij zijn!”
De enigszins paranoïde, pessimistische kluizenaar in mij zag het al helemaal voor zich: in een ongemakkelijke stilte, enkel onderbroken door het dwingend tikkende geluid van een klok die het uur aftelt, aan tafel zitten met andere zielen, doen alsof ik iets te vertellen heb. Hell no, daarvoor trekt deze ‘loner’ haar sweatpants niet uit!
Gelukkig bevindt zich onder de vele persoonlijkheden in mijn hoofd ook een stem die ik ‘de blije muts’ heb genoemd. Ze staat in schril contrast met de pessimistische kluizenaar en veroorzaakt nogal eens innerlijke strubbelingen. De ‘muts’ zegt dingen die mijn moeder ook had kunnen zeggen, zoals; “Maar misschien ontmoet je daar wel interessante mensen, en, het is heel gezond om eens ergens aan mee te doen, of, kom toch eens van die bank af!”
Onder invloed van deze mentale woordenwisseling heb ik intussen toch weer terug gescrold naar het oproepje en mij in een vlaag van verstandsverbijstering aangemeld, wat direct resulteert in een aanval van hyperventilatie.
Maar afspraak is afspraak, zo ben ik dan ook wel weer, dus sta ik op de avond zelf ietwat onwennig voor Café de Strohoed mijn moed bij elkaar te rapen. Ik ben zoals altijd wat aan de vroege kant en stap veel zelfverzekerder dan ik me daadwerkelijk voel de kroeg in. Eenmaal binnen voer ik een verwarrend gesprek met Jan, de waard van het etablissement (die met zijn lange grijze haar overigens niet zou misstaan als een karakter in Lord of the Rings). Hij schijnt te denken dat ik de organisator ben van het gebeuren. “Ah, daar was je al,” mompelt hij, wat ik een vreemde begroeting vind voor iemand die ik nog nooit heb gezien, maar uit nervositeit antwoord ik alsnog met: “Ja, hier ben ik”, waarna we elkaar een poosje schaapachtig aan staan te kijken.
Nadat Jan mij een cola-berenburg heeft ingeschonken waarvan ik steil achterover sla, ga ik met mijn laptop aan de stamtafel zitten en richt mijn aandacht op mijn omgeving om de zenuwen onder controle te houden. De tijd lijkt hier stil te hebben gestaan. Bij de ingang neemt een oude telefoon met draaischijf, die ook werkelijk nog dienst doet als communicatiemiddel, een prominente plaats in en de muziek wordt afgespeeld van een cassettebandje dat minstens een kwart eeuw oud is. Maar de kroeg ademt sfeer en geschiedenis en ik voel me ineens op mijn gemak.
Als de mensen uiteindelijk binnen beginnen te druppelen en we het onvermijdelijke voorstelrondje achter de rug hebben, is het dan zover. We gaan schrijven. De tikkende klok die ik in gedachten had blijkt een veel minder angstaanjagend kookwekkertje in de vorm van een lieveheersbeestje te zijn, en al gauw merk ik dat ik niet meer bezig ben met de mensen om mij heen. De stemmen in mijn hoofd houden zich stil en ik krijg het warempel voor elkaar om een samenhangend verhaal te produceren.
In de trein terug naar huis zit de blije muts in mijn hoofd heel tevreden te zijn met zichzelf. “Zie je nou wel dat het leuk was, zie je nou wel!” De paranoïde kluizenaar zit een beetje verongelijkt te mopperen in een hoekje, maar echt overtuigend komt het niet over.
Eenmaal thuis schiet ik snel weer in mijn versleten, met verfvlekken bedekte joggingbroek en nestel me zuchtend van tevredenheid in de hoek van de bank, die zo langzamerhand mijn vorm aan begint te nemen, en bedenk me dat je alleen thuis kunt komen als je weg bent geweest. “Gaan we de volgende maand weer? Ja, we denken het wel.”

Getting Old

Deze week moest ik naar de tandarts. Niks ernstigs, gewoon de jaarlijkse, of in mijn geval anderhalf jaarlijkse omdat ik het zo lang uitgesteld had, controle. Maar dat is voor mij al voldoende voor een zweterige bilnaad.
Thuis sta ik vlak voor mijn afspraak mijn tanden een eeuwigheid zorgvuldig te poetsen, alsof ik daarmee alle keren dat ik te lui, te dronken of te depressief was om tijd aan gebitsreiniging te besteden in kan halen, en de schade zo kan beperken.

In de wachtkamer blader ik nerveus door een oude donald duck totdat ik geroepen word door de assistente en ik schoorvoetend achter haar aan loop naar de behandelruimte. Ik weet dat ik eigenlijk niet mag klagen. Op een enkel gaatje na heb ik nog nooit echt iets gehad en ik heb zelfs al mijn verstandkiezen nog zonder klachten ergens achter in mijn mond zitten. Bovendien mag ik blij zijn dat ik in 2014 naar de tandarts moet en niet in de middeleeuwen naar de chirurgijn die midden op een dorpsplein zonder verdoving mijn tanden uit mijn kaak wrikt.

Maar goed, het moge duidelijk zijn, naar de tandarts gaan is verre van mijn favoriete bezigheid. Ik voel me altijd heel hulpeloos in die grote tandartsstoel (die overigens erg comfortabel zou zijn als je er niet in gemarteld zou worden, bijvoorbeeld als t.v. stoel, al zou dat wel je halve woonkamer innemen)
En hoewel mijn tandarts, Floris, vast een hele toffe peer is, heb ik in de twintig minuten dat hij, met zijn halve gezicht verscholen achter zijn mondkapje, boven mij hangt een gruwelijke hekel aan hem. Ik doe met grote tegenzin mijn mond zo ver mogelijk open en Floris begint enthousiast te schrapen met zijn gemene haakje en slijm te zuigen met zijn slijm-opzuig-dingetje.

“En, nog op vakantie geweest dit jaar?”. Tandartsen hebben vaak de irritante gewoonte vragen te stellen terwijl ze in je mond aan het wroeten zijn, waardoor je antwoord klinkt als dat van een baby die net geluiden heeft leren produceren. “Aaa Uu Ee Ië, weet ik moet moeite uit te brengen en terwijl ik denk dat hij dat onmogelijk kan hebben begrepen zegt Floris, “Ah, Tunesië, mooi om te snorkelen! Kennelijk is dit onverstaanbare dialect voor tandartsen inmiddels een tweede taal geworden.

Terwijl Floris verder wrikt, slurpt en schraapt en ik mij met zweterige handen aan de stoel vastklamp, vertelt hij dat het er prima uit ziet, maar dat ik, en dan spreekt hij drie afschuwelijke woorden, OP MIJN LEEFTIJD wel moet gaan flossen. “Op mijn leeftijd? “
Ik voel me ineens ontzettend middelbaar en heb plots een levendig visioen van mijzelf in een felgekleurd tweedelig trainingspak op een fiets met een geplastificeerde landkaart voorop. Terwijl ik dit angstaanjagende beeld van mijn netvlies probeer te wissen laat de tandartsassistente, in wiens ogen het helemaal geen lente is, mij een superklein borsteltje zien dat ze zonder genade mijn tandvlees in ramt en heen en weer begint te bewegen tussen mijn tanden. De tranen springen in mijn ogen en ik realiseer me dat ik dit nu elke avond moet doen.

Mijn langzaam aftakelende lijf zal steeds meer onderhoud nodig hebben, als een oldtimer die door de APK moet. Ik kan het verstrijken van de tijd meten aan de grootte van mijn toilettas. Vroeger had ik niet eens een toilettas maar nam ik alleen een tandenborstel mee, of zelfs dat niet. Inmiddels is het een enorm zwart gevaarte dat gevuld is met crèmepjes en zalfjes tegen rimpels, lenzenvloeistof en allerlei pilletjes, poedertjes en sprays en nu komen daar deze verdomde flosborsteltjes nog bij.

Gebukt onder het besef van mijn eigen sterfelijkheid loop ik de praktijk uit. Na dit akelige tandartsbezoek snak ik naar een shot nicotine en dus ga ik nog even langs het sigarenwinkeltje. De winkelmedewerker pakt mijn rookwaar maar aarzelt om het mij te overhandigen. Ze vraagt of ik een identiteitsbewijs kan laten zien. Bijna wil ik om de toonbank heen lopen om haar een dikke knuffel te geven, maar in plaats daarvan laat ik haar glimlachend met mijn pijnlijke gebit mijn rijbewijs zien.

De onvermijdelijke verwelking van mijn lijf heeft kennelijk de buitenkant nog niet aangetast. Fluitend voeg ik thuis de flosborsteltjes, die trouwens belachelijk duur zijn, toe aan mijn groeiende verzameling toiletartikelen. Het kost misschien iets meer moeite, maar ik kom nog makkelijk door de APK.

Confused Single

giphy

Soms heb ik van die dagen dat ik ineens bang ben om moederziel alleen dood te gaan. Ik zie mijzelf dan al liggen midden in mijn woonkamer, of nog erger, naakt op de, mij kennende, smoezelige vloer van de badkamer, met één oog, want het andere is uit mijn oogkas weggevreten door de 46 katten die ik tegen die tijd verzameld heb ter vervanging van menselijk contact.

Je leest het toch regelmatig, dat een arme ziel pas ontdekt wordt op het moment dat de buren het niet zo fris meer vinden ruiken. Waarna het lichaam van het oude mensje ontdekt wordt, zo stel ik mij voor, in de leunstoel met de afstandsbediening van de t.v. nog in het ontbindende ouwe handje geklemd.

Deze angst steekt meestal de kop op als ik weer een van de zoveelste onsuccesvolle dates achter de rug heb. Zoals na die met de jongeman die zijn eigen pantoffels mee had genomen, en aantrok, op de eerste (en tevens laatste) date. Of die ene die maar over twee gespreksonderwerpen leek te beschikken, namelijk zijn grote passies, vogels en libellen.

Maar ook als de date wel op wonderbaarlijke wijze voorspoedig lijkt te verlopen doemt het beeld van mijn in rigor mortis verkerende lijf weer op voor mijn geestesoog. Want als de man op het eerste gezicht een redelijk normaal functionerend mens lijkt te zijn, dan weet ik zelf wel weer genoeg manieren te vinden om als een volslagen idioot over te komen. Dan kom ik er aan het einde van de date achter dat ik een klont tandpasta in mijn haar had omdat ik vlak voor aanvang nog snel voor een frisse adem wilde zorgen. Of drink ik zoveel dat ik veel te open ben en vreemde persoonlijke dingen deel zoals mijn aversie tegen al het voedsel dat uit draadjes of sliertjes bestaat.

Dat het mijn angst is om uiteindelijk te eindigen als kattenvoer is niet iets wat ik makkelijk met anderen durf te delen. Ik heb namelijk het gevoel dat er tegenwoordig een beetje een taboe ligt op het zijn van een niet zo ‘happy single’. Gewoon ‘single’ vonden mensen kennelijk te alleen en deprimerend klinken. Nee, we moeten even benadrukken hoe ontzettend gelukkig we zijn, waardoor het voor mij eerder een soort oxymoron wordt.

Maar goed, mensen houden er nu eenmaal van om dingen in hokjes te plaatsen. De vraag is nu alleen, in welk hokje pas ik? Ik heb besloten om zelf maar een nieuwe categorie te bedenken, namelijk de ‘confused single’. Dit is iemand die het grootste gedeelte van de tijd redelijk tevreden door het leven dwarrelt en het eigenlijk meestal wel lekker vind om vrijgezel te zijn.

Totdat er zich een situatie voordoet waarin de aanwezigheid van een man handig, dan wel noodzakelijk is. Bijvoorbeeld wanneer men een fles cola open wil maken waarvan de dop met superlijm vast gemaakt lijkt te zijn, bij een water, elektriciteit, gas of internetprobleem, of bij de voortplanting.

Op deze momenten slaat de verwarring en onzekerheid toe bij de confused single, die zich dan ineens realiseert geen flauw idee te hebben waar ze mee bezig is in het leven en dan de komende twee uur fanatiek aan het ‘tinderen’ slaat om dan toch maar weer het volgende afspraakje te plannen met een ongetwijfeld ontzettend aardige man die zijn punniksetje meeneemt en gepassioneerd kan vertellen over zijn verzameling bierviltjes.

Hierna neemt de drang om een metgezel te vinden weer enigszins af tot het volgende ‘ik heb een man nodig’ incident zich aandient. In de tussentijd troost ik mijzelf met de gedachte dat het grootste gedeelte van de mensen waarschijnlijk niet weet waar ze mee bezig zijn in het leven, en ik nu nog maar twee katten heb, die ik net extra veel brokjes heb gegeven, voor de zekerheid.

Verhuis doos

Ik ga verhuizen. Omdat mijn huis te duur is geworden, de belastingdienst mij kaal plukt en ik zo weinig overhoudt in de maand dat ik gebruik zou mogen maken van de voedselbank, ga ik antikraak wonen in een geweldig huis in Akkrum.

Misschien een gekke beslissing voor iemand die van structuur en vastigheid houdt en die zich hecht aan haar woonruimte, maar ach it’s never too late to change. Uiteraard vind ik mezelf nu een enorm onafhankelijk en moderne alleenstaande vrouw.

Euforisch ga ik aan de slag en heb ik verhuisdozen geregeld, van de praxis. Met Manu Chao uit de speakers pak ik de eerste doos erbij, om hem in elkaar te vouwen. Maar al gauw wordt het me weer pijnlijk duidelijk dat ik het ruimtelijk inzicht heb van een mongoloïde mol. Ik pak het strategisch aan en bekijk mijn kartonnen vijand eerst van alle kanten, probeer mijn logisch verstand te gebruiken en vouw flappen alle kanten op.

Als het kreng niet op magische wijze vanzelf in elkaar vouwt, tuur ik met diepe denkrimpels naar de compleet onbegrijpelijke ‘gebruiksaanwijzing’ op de zijkant van de doos. Ik probeer de aanwijzingen te volgen, scheur stukken karton af en merk dat mijn opgewekte stemming langzaam begint om te slaan in bittere wanhoop. Manu Chao begint inmiddels zenuwslopend te werken in plaats van opbeurend en ik mompel vervloekingen terwijl ik verder worstel. Ik kan toch verdorie wel een verhuisdoos in elkaar zetten. The war is on!

Twintig minuten en tientallen vruchteloze pogingen later blijk ik dat verdorie niet te kunnen, want je hebt er kennelijk hogere wiskunde voor nodig, en dus zoek ik mijn heil op het internet. Er zijn vast andere arme zielen zoals ik die tegen ditzelfde probleem aan zijn gelopen.

Op youtube aangekomen blijkt dat kennelijk voornamelijk mannen zich met dozen bezighouden. Er zijn diverse filmpjes beschikbaar van mannen in kaki broeken met zakken op de zijkant, die moeiteloos een in elkaar gevouwen verhuisdoos produceren. Maar mijn vervloekte praxis doos zit er niet tussen dus ik ben nog steeds op mezelf aangewezen.

Even overweeg ik om aan te bellen bij mijn buurman, die ongetwijfeld met een biertje in zijn hand, en één oog op de tv, die k*t doos in elkaar flapt, maar dat gaat me toch echt te ver en ik ben nog niet bereid om de nederlaag te accepteren. Ik sta stampvoetend in mijn, met gescheurde stukken karton bedekte, woonkamer en schiet in een gierende lach die tevens angstvallig dicht bij een enorme jankbui zit. Er is weinig over van die geëmancipeerde, happy single van inmiddels drie kwartier geleden.

Net wanneer ik op het punt sta deze oorlog te verliezen, en dan maar gewoon niet te verhuizen, voel ik een enorme agressie in mezelf opkomen en ik besluit me met alles wat ik heb in de strijd te gooien. Ik beuk en grom, gebruik zowel handen als voeten, mijn katten vluchten naar buiten, mijn handen bloeden en met een laatste oerkreet dwing ik de doos eindelijk in de gewenste vorm. In de drie jaar dat ik hier woon heb ik nog nooit zoveel kabaal gemaakt.

De overwinning brengt een bijna spirituele openbaring waarin ik me realiseer dat ik met deze doos net zo omga als met het leven, veel te voorzichtig en bang om iets kapot te maken of mezelf pijn te doen. Trots en tevreden sta ik naar mijn ,enigszins gehavende, maar duidelijk correct in elkaar gezette verhuisdoos te kijken. Tijdens deze veldslag had ik me voorgenomen om zelf een filmpje te maken, speciaal voor andere ruimtelijk inzicht gehandicapte, praxis verhuisdozenslachtoffers, maar ik besluit daar van af te zien. Soms moet je gewoon op jezelf vertrouwen en de strijd aan gaan. One box down, a lot more to go!