Kluwen

Je past me

als een oude trui

behaaglijk en gevormd

naar de contouren van

mijn eigenaardigheden

Ik trek je aan

en dan weer uit

draag je

binnenstebuiten en

achterstevoren

ik woon in jou

neem je woorden

over en in me

op tot ik niet meer

weet welke

van mij zijn

Je ontrafelt me

trekt aan het steekje

dat al een tijdje

los zat

tot er niets

meer rest dan

kluwen

Kever

Zonnewarmte in stoeptegels gevangen
gloeiend op haar buik
losse veters kietelend tegen kuiten
die loom heen en weer zwaaien

Pastelkleurig krijt in dikke lagen
op de stenen
en in haar vlecht die steeds zachtjes
de grond kust

Flauwekul op de radio
overstemd door gesnurk
uit het huis
Het is een rode ogen dag

Haar neus zowat tegen de stoep gedrukt
waar een kever zijn weg zoekt
langs kleurrijke krijttekeningen

Zijn pikzwarte schildje glimmend
als de opgepoetste schoenen van haar vader
tijdens het afscheid

Tussen duim en wijsvinger
spartelen pootjes in het luchtledige
kleurt ze het schildje zacht roze

De eerste lauwe druppels
spatten op de tegels uiteen
Nog vijf pootjes over, nog vier

Regenwater kronkelt in
regenboogkleurige riviertjes richting de afvoer
Nu drie, nog twee

Onder versleten gympies
verplettert het schildje
zoals het leven soms doet
tot minuscule stukjes

Kat

Kat

Als ik voor een volgend leven
toch eens zelf mag kiezen
dan kom ik terug als jouw kat
en zit ik voor jouw deur te kniezen

dan wil ik erin
maar toch ook eruit
of allebei maar heel even
of allebei tegelijk

en dat ik dan ’s ochtends vroeg
mijn kopje nog nat van de dauw
langs je blote benen strijk

met mijn oplichtende ogen
laat ik je schrikken
in het holst van de nacht

spring op je bed
wat jij oogluikend zou toestaan
om met mijn ruwe tongetje
over je wangen te likken

als een volleerd contortionist
lig ik opgekruld te zonnen
in jouw vensterbank
snorrend van behagen

knijpend met mijn groene kijkers
geef jij je al gauw gewonnen
ook al negeer ik je verwaand
en zal ik mij luidkeels beklagen

over een chronisch gebrek
aan brokjes, aaitjes, gekriebel
om mij vervolgens voor een welverdiend dutje
op jouw toetsenbord te vleien

en als het dan tijd is dat ik weer vertrek
aan het einde van mijn negende leven
dan hoop ik dat ik terug mag komen als jouw kat
al was het maar voor heel even

Deinen

Ik werp mijn woorden
met een boog
in de zee
van oneindige golven

waar ze doelloos deinen
in de schittering
van het late licht

Tot ze aanspoelen
op schuimende koppen
langs de kustlijn
scherp als Strandgapers
venijnig als Venusschelpen

toch raap ik ze op
verzamel ze
en draag ze
naar het water

Gedachtestromen
trekken mij
de diepte in

de woorden staan
tot aan
mijn lippen

Door een woordenvloed
bedolven ga ik
genadeloos ten onder
in de branding
van gedachten

Kraker

Angst is ingetrokken
in mijn hoofd
heeft zijn koffers
uitgepakt en zijn voeten
op tafel gelegd

Voor de ramen
hangt hij rookgordijnen
die verduisteren
en uitzichtloosheid
teweegbrengen

Tot diep in de nacht
draait hij oorverdovend
schreeuwerige platen die
de buren, rust en rede,
tot wanhoop drijven

Soms bonk ik woedend
op zijn deur om mij
vervolgens toch weer
ontgoocheld en beschaamd
in zijn armen te wentelen

Dan vreet hij zich te barsten
aan zakken vol broosheid
afgeladen borden twijfel
en enorme stapels schroom
die ik zelf heb meegebracht
 
Mettertijd dijt hij uit
tot monsterlijke proporties
en we allebei onherroepelijk
gevangen zitten
in mijn hoofd

De Storm

Hier ben je neergekomen
dwars over het pad
gebroken en geknakt
de met mos overwoekerde zijde
naar boven

Je schors verpulverd
toen met donderend geraas
takken versplinterden
in je val
naar beneden

Je bast nu bloot
en onbeschermd
Op de plek van je ontstaan
een gapend gat
in de diepte

Om je gevallen kroon
dwarrelen dorre bladeren
Je wortels waaieren
als wanhopig reikende handen
in alle richtingen

De stam onder mijn hand
ruw, robuust en roerloos
Als reuzen reddeloos verloren
in het ruigst van de nacht
hoe moeten wij
zonder wortels
de storm trotseren?

Soms zie ik je

Soms zie ik je ineens
weer zoals in het begin
toen alles nog licht
toen alles nog zacht
toen we nog niets
verloren hadden

Als je in de ochtend
de slaap nog niet uit je ogen
je brood staat te smeren
onderwijl zachtjes fluitend

Wanneer we elkaar aankijken
in de spiegel
bij het tandenpoetsen
en we zonder reden
moeten lachen

Als je in slaap bent gevallen
op de bank met je hand
langs je gezicht
en onze zoon
op je borst

Soms zie ik je ineens
weer zoals in het begin
toen alles nog licht
toen alles nog zacht
toen we nog zoveel
zouden krijgen

Achterin

Een zinderende lucht boven het asfalt

de geur van smeltend leer en zware shag

De achterbank smeulend als lava waar je

je blote benen voorzichtig op laat zakken

als in een gloeiend heet bad

De brandgaten van peuken mij net zo bekend

als de moedervlekken op mijn benen

Mijn pink past precies

De gele opvulling zacht en sponzig

Het touwtje waarmee de achterklep open gaat

Kriebelt in mijn nek

Daar mag ik nu niet aan trekken

Mijn vaders achterhoofd gehuld in rookwolken

Paint it black uit de cassettespeler

Zijn arm die een groene broodtrommel aanreikt

De kleuren van de vruchtenhagel met elkaar vermengd

Tot een zacht oranje

Net als de auto

De Lat

Ik bouw een toren
metsel van mijn angsten
het fundament
timmer mijn onzekerheden
daar bovenop

Ik doop een kwast
in mijn perfectionisme
en verf de muren
Plak behang met onrealistische
verwachtingen

De vloerbedekking van
mijn schaamte rol ik uit en
aan de muren bevestig ik
lijstjes met onmogelijke ambities

Het bouwwerk
wanstaltig en wankel
reikt verder dan ik
kan kijken

De lat is onhandig en
drukt zwaar op mijn schouders
terwijl ik steeds verder
omhoog klim
hoger, hoger