Revolutie

Met mijn literair kort erotisch verhaal Revolutie stond ik in de finale van Het Rode Oor 2019. Hieronder lees je de volledige versie of luister hier de ingekorte versie terug zoals hij werd uitgezonden bij VPRO Nooit meer slapen. Prachtig voorgedragen door Rashif El Kaoui.

De zon schijnt door de smoezelige ramen van het lokaal. In de straal zonlicht, die eindigt op het bord, zweven stofdeeltjes traag en glinsterend op de zware, warme lucht. Aan het tafeltje naast hem kauwt een klasgenoot loom op het uiteinde van zijn pen. Het maakt klikkende geluidjes tegen zijn tanden. Hij voelt een zweetdruppel kriebelig langs zijn slaap naar beneden glijden.

Ze heeft haar goudblonde haar vandaag opgestoken. Hij vindt het los het mooist, maar de losgeraakte plukjes die om haar gezicht vallen geven haar iets schattigs. Ze veegt ze om de paar minuten verstrooid achter haar oren.

Hij weet niet wat er eerder was, zijn liefde voor geschiedenis of zijn liefde voor haar. Misschien bestaat het een niet zonder het ander. Als ze vertelt over de Verzuiling hangt hij aan haar prachtige, volle lippen. Ze heeft een zachte stem, maar toch hoeft ze deze nooit te verheffen.

Elke les hoopt hij dat ze veel zal schrijven op het bord. Dan kan hij haar uitgebreid van achteren bewonderen en aan het einde van de les, wanneer ze het bord fanatiek leeg veegt met een wisser, schudden haar ronde billen zo mooi mee met die beweging.

Terwijl hij daar aan denkt voelt hij hoe zijn pik langzaam wakker wordt, en zich uit zijn plakkerige positie ontvouwt. Hij werpt een blik op zijn buurman, die net uitgebreid zit te gapen. Vandaag geeft ze les over de Revolutie.
Ze draait zich naar het bord en begint verschillende jaartallen op te schrijven. Hij laat zich een beetje onderuit zakken en steekt onder de tafel zijn hand in zijn broekzak. Tussen haar schouderbladen door tekent het zweet langzaam een donker spoor over haar ruggengraat, richting haar billen. Zijn stijve geeft door de stof van zijn broekzak een kopje tegen zijn duim en hij streelt er zacht overheen.

De klas lijkt collectief ingedut door de stijgende temperatuur. Ze komt vlak voor zijn tafeltje staan om het raam nog verder te openen. De lucht die naar binnen komt is verzengend en hij ziet dat er zich in het kuiltje onder haar neus een klein druppeltje zweet heeft gevormd. Hij stelt zich voor dat hij het met het puntje van zijn tong oplikt. Hij kan het zout bijna proeven.

Met zijn duim en wijsvinger wrijft hij nu iets harder over de volle lengte van zijn erectie. Zijn broekzak wordt nog warmer. Terwijl hij naar haar lieve stemgeluid luistert sluit hij zijn ogen.

De pen kauwende klasgenoot is ineens verdwenen, en ook alle andere tafeltjes zijn leeg.
 Ze loopt het lokaal door naar zijn tafeltje. Met beide handen grijpt ze de zijkanten ervan vast en trekt het langzaam bij hem vandaan. De knoopjes van haar shirtje zijn los. Haar verrukkelijke borsten glimmen als opgepoetste appels.

Ze trekt zijn T-shirt omhoog en hij steekt zijn armen de lucht in. Het shirt belandt met het Nirvana logo naar beneden op het okerkleurige linoleum. Haar vingertopjes fladderen als vlindervleugels over zijn magere borstkas. Ondanks de verstikkende warmte verspreidt kippenvel zich over zijn hele lichaam. Ze laat zich op haar knieën zakken. Haar handen glijden over zijn buik naar beneden, naar de rand van zijn boxershort. Ze trekt en hij tilt zijn billen van de stoel. Zijn stijve pik springt als een jack-in-the-box tevoorschijn.

Ze pak hem met beide handen vast en likt aan haar lippen. Zijn hijgende ademhaling stokt even als ze een vederlicht kusje op het topje geeft. Hij voelt zijn hartslag erin kloppen. Tergend langzaam laat ze haar tong erover heen glijden. Het zweet gutst van zijn lijf en hij heeft het gevoel dat zijn bloed in lava is veranderd. Hij maakt stotende bewegingen met zijn onderlichaam.

De bel, die het einde van het lesuur aankondigt, komt gelijktijdig met zijn climax. Zijn broekzak en hand zijn nat van het zaad en zijn ogen vliegen open. Zijn buurman stopt zijn bekwijlde pen achter zijn oor terwijl hij opstaat en hem met gefronste wenkbrauwen aankijkt. Het klaslokaal stroomt leeg. Hij trekt snel de onderkant van zijn T-shirt over zijn broekzak, slingert zijn tas over zijn schouder en loopt naar de deur.

Ze zit op het hoekje van haar bureau en wappert zichzelf wat koelte toe met een stapeltje proefwerken.

“Heet hé?”, verzucht ze en ze glimlacht naar hem. Hij knikt verlegen en haast zich het lokaal uit.

De dubbelgevouwen vrouw

“Met het doosje in haar hand keek ze weer naar de afdruk in de stoel. Plotseling gooide ze het doosje met een boog door de woonkamer. Een kort ogenblik regende het luciferstokjes. De rest van de dag stond ze voorovergebogen. “

Tijdschrift de Optimist publiceerde mijn korte verhaal ‘De dubbelgevouwen vrouw.’ Je kunt het hier lezen!

Zwammen

De tafel is prachtig, al zegt hij het zelf. De vuurrode kerstservetten steken mooi af bij het oogverblindend witte tafelkleed. Hij heeft het goede servies uit de kast gehaald, dat ze ooit gekregen hadden voor hun trouwen, maar dat ze nog nooit hadden gebruikt. Zijn vrouw wilde het bewaren voor een speciale gelegenheid. Hij vindt dat nu wel het moment is. De tafel is gedekt voor twee en in het midden heeft hij twee lange witte kaarsen neergezet. Schaduwen bewegen door het flikkerende kaarslicht over de muren van de keuken.

‘Mooi hé? Hij kijkt naar de overkant van de tafel. Zijn vrouw zegt niks. Hij schenkt nog wat wijn in de glazen, al is die van haar nog zo goed als vol. Hij staat op en opent het deurtje van de oven. De keuken vult zich met de heerlijke geur van gebraden vlees. Het braadstuk ligt sissend en spetterend in een klein laagje jus. Met een pollepel giet hij wat van het hete sap over het vlees heen. Op die manier droogt het niet uit. Dat weet hij wel. Het water loopt hem in de mond.

Zijn vrouw kan ontzettend goed koken. Daar was hij altijd best trots op. Vooral als vrienden bij hen kwamen eten. Dan was ze de hele week al bezig met het bedenken van een menu en het inkopen van verse ingrediënten. Vervolgens stond ze een volle dag in de keuken. Ze bedacht ook bijna altijd iets origineels. Hij zei altijd tegen haar dat ze een restaurant moest beginnen.
 ‘Ik weet zeker dat je zo een paar sterren zou krijgen!’
Maar dan glimlachte ze alleen maar en wreef ze over haar te dikke buik.
‘Dat lijkt me niet verstandig’, zei ze dan.

Hij pakt een stukje stokbrood, smeert er een dikke laag zeezoutboter op en stopt het in een keer in zijn mond. ‘Wil je ook?’ vraagt hij met volle mond. Ze zwijgt. Hij weet wel dat ze er een hekel aan heeft als hij met volle mond spreekt.

Bijna een jaar geleden had ze de knop om gezet.
 ‘Ik heb de knop omgezet’, zei ze op 1 januari. Hij had haar over de rand van de krant niet begrijpend aangekeken. ‘Vanaf vandaag komt er geen koolhydraat, geen vet en geen suiker meer dit huis in.’
Hij had geknikt en iets onverstaanbaars gemompeld en zich weer op zijn krant gericht. Het was niet de eerste keer dat zijn vrouw zich op een nieuw dieet had gestort. Vaak ging het een paar weken goed, werd ze strontchagrijnig en viel ze daarna toch weer terug in oude gewoonten. Hij moest zich de komende tijd maar even gedeisd houden.

Hij haalt het braadstuk uit de oven en zet het op de tafel. De damp komt eraf en hij laat het vlees even rusten alvorens hij het aansnijdt.

Dit keer hield ze het dieet echter vol en ze voegde de daad bij het woord. Als hij thuiskwam van zijn werk kreeg hij altijd zin om iets te snaaien zo rond een uur of vijf, als het nog even duurde voordat het etenstijd was. Maar nu trok hij gefrustreerd kastjes en laden open. Hij kwam allerlei zaken tegen waar hij nog nooit van had gehoord maar die hem allerminst eetbaar leken. Quinoa, lijnzaad, chlorella, kefir, miso, tempeh. Waar waren zijn gevulde koeken gebleven? En een boterham was ook al geen optie meer want brood werd nu vervangen door crackers, rijstwafels of iets dat een spinaziewrap heette.

Hij snijdt flinke stukken vlees af en legt het op hun borden. Daarna schept hij voor hun beiden gebakken aardappels op en haricoverts omwikkeld met spek. Voor hij gaat zitten pakt hij eerst de mayonaise uit de koelkast en lepelt een flinke kwab op zijn bord.
‘Eet smakelijk lieverd.’

Hij probeerde haar tot steun te zijn. En eerlijk is eerlijk, zijn eigen broekriem kon inmiddels ook al een paar gaatjes opschuiven. Zijn vrouw had niet alleen haar, en daarmee ook zijn, voedselinname rigoureus aangepakt. Ze liep nu ook het grootste gedeelte van de tijd rond in een te strakke paarse spandex broek, met om haar enkels gewichten die met klittenband vastzaten. Met elke kilo die ze kwijtraakte werd ze echter ook steeds iets gemener. Ze had continu een verbeten blik en zo’n zuur mondje dat hem aan de anus van een kat deed denken. Toen hij het met haar probeerde te bespreken schreeuwde ze zo hard tegen hem dat er druppeltjes speeksel op zijn bril terecht kwamen.

Hij neemt een grote hap. Een druppel jus druipt over zijn kin en hij kan een kreun van genot niet onderdrukken. Hij prikt een paar gebakken aardappeltjes aan zijn vork en haalt ze door de mayonaise. Met gesloten ogen geniet hij van de rijke, volle smaken. Het bord van zijn vrouw staat onaangeroerd op tafel.

Een keer nam hij op zijn werk stiekem een saucijzenbroodje. Maar zijn vrouw had het reukvermogen van een bloedhond en kon aan zijn adem ruiken wat hij gegeten had die dag. Hoe durfde hij haar met die vette geur om zich heen te begroeten met een kus. Wilde hij haar dieet soms saboteren? Met walging in haar ogen had ze hem weggeduwd. De rest van de week had ze geweigerd tegen hem te spreken. Daarna knaagde hij ook op zijn werk op rijstwafels met avocado.

Hij heeft het bord van zijn vrouw ook maar leeggegeten. Weggooien is immers zonde. Maar nu zit hij eigenlijk bijna iets te vol en er is ook nog een dessert. Op de voorkant van de verpakking staat een chocolade cakeje waar vloeibare chocolade uitstroom. De cakejes moeten nog tien minuten in de oven. Tegen die tijd is het volle gevoel vast alweer wat gezakt.

Zijn collega’s hadden hem eerst een beetje uitgelachen en grapjes over hem gemaakt. Maar toen hij zo mager werd dat je zijn ribben bijna door zijn overhemd kon zien begonnen ze zich een beetje zorgen om hem te maken. Bij elke verjaardag sloeg hij de taart af en tijdens de vrijdagmiddagborrel dronk hij geen biertje meer mee maar een glas water. Tijdens de kerstborrel sprak zijn baas hem aan.
‘Gaat het wel goed met je? Niet lullig bedoeld, maar je ziet er niet zo florissant uit, kerel!’
Hij was bijna in tranen uitgebarsten maar had zich nog net weten te herpakken. Hij had maar iets gemompeld over een snelle stofwisseling. Zijn baas had hem op het hart gedrukt om maar flink te genieten van het braadstuk en het goed gevulde kerstpakket dat hij elk jaar aan al zijn werknemers gaf.

De oven piept en hij haalt de cakejes eruit. Hij heeft besloten dat het dessert goed samen gaat met een glaasje whisky dus heeft hij een flinke bel voor zichzelf ingeschonken. Zijn vrouw hoeft vast niet. Met een gebakvorkje haalt hij een hapje uit het cakeje. Het is zo zoet dat het een kort ogenblik bijna pijn doet in zijn mond. Meteen daarna neemt hij een slokje van zijn whisky en hij geniet van de smaakexplosie.

Met het kerstpakket onder zijn ene arm en het braadstuk onder de andere was hij de keuken binnen gekomen. Hij had zichzelf in de auto moed in gepraat. Wat was hij nou voor vent, kom op zeg! Zijn lijf snakte naar koolhydraten en vet. Tegenwoordig had hij het continu koud, zijn kleren waren te groot  en sinds een paar weken had hij het gevoel dat zijn tanden een beetje los zaten. Hij had het kerstpakket op zijn kantoor al vast geopend en zijn handen waren gaan trillen bij de aanblik van al het lekkers dat er in zat. Hij viel bijna flauw toen hij de verpakking bekeek van iets dat ‘lavacake’ heette. Hij zou voet bij stuk houden. Met kerst werd er gegeten.

Om de ijzige stilte te doorbreken zet hij een plaatje op. Hij houdt van de ouwe Amerikaanse kerstklassiekers. Terwijl hij mee neuriet met ‘It’s beginning to look alot like Christmas’, stapt hij over zijn vrouw heen die op de keukenvloer ligt. Uit de la haalt hij een doosje lucifers. Bij de whisky kan hij ook best wel een sigaartje roken. Dat vindt ze vast niet zo erg.

Ze had zijn relaas zwijgend en met de armen over elkaar aangehoord. Terwijl hij praatte was ze steeds harder gaan snuiven en was zijn standvastigheid langzaam verbrokkeld. Ze leek op een woest uitgemergeld paard. Toen hij uitgepraat was had ze het kerstpakket en het braadstuk uit zijn handen gegrist. Hij liep achter haar aan en keek met open mond toe hoe ze het pakket en het braadstuk met een wilde beweging in de container deponeerde. Zijn maag rommelde zo hard dat hij vermoedde dat zelfs de buren het konden horen. Hij liep stampvoetend achter haar aan de keuken in.

‘Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat men met een volle blaas betere beslissingen maakt’. Dat was de eerste gedachte die door zijn hoofd schoot nadat hij zijn vrouw in de keuken met een zak bevroren oesterzwammen had neergeslagen. Dat moest dan wel een fenomenaal besluit zijn geweest want zijn blaas stond ineens op knappen. Hij rende naar het toilet waar hij een, voor zijn gevoel, eindeloze stroom urine produceerde terwijl hij naar de de tegeltjes met spreuken staarde die hij van zijn vrouw aan de muur had moeten spijkeren.

‘Wacht niet op een goede dag, maak er een, ‘Elk einde is het begin van iets nieuws’ en ‘Wees jezelf er zijn al zoveel anderen’ maaide hij in een beweging van de muur waarbij hij per ongeluk een stuk bloemetjesbehang mee trok dat hij er ook maar gelijk in zijn geheel afscheurde. Daarna liep hij meteen door naar de container waar hij het kerstpakket en braadstuk uithaalde. In de keuken flikkerde hij de complete blender in de prullenbak en zette de oven aan.

Hij gaat op de bank zitten. De sigarenrook kringelt langzaam om zijn hoofd heen. Naast hem op de bank ligt haar laptop. Hij klapt hem open en klikt huiverend een website over het Raw Food dieet weg. De eerste naam van een reisorganisatie die hem te binnen schiet tikt hij met een vinger in het zoekschermpje. Hij had altijd al graag naar een warm land gewild met de feestdagen, maar zijn vrouw wilde dat nooit. Thailand lijkt hem wel wat. Nu boeken, klik.

Hij zucht en laat zich zakken in de zachte bank. Zijn buik is bol en puilt een beetje over zijn broekrand. Tevreden doet hij zijn riem een paar gaatjes losser.

Superheld

door; Marloes van der Singel
Dit verhaal werd gepubliceerd in tijdschrift Ei.

 

Godsamme. Sorry, sorry, sorry. Ik zag u totaal niet aankomen.”

Ik sla mijn vaders advies, bij een botsing nooit schuld bekennen, volledig in de wind, maar de stoet kwam duidelijk van rechts en een te hoge snelheid zullen ze ongetwijfeld ook niet hebben gehad. Bovendien luister ik niet meer naar mijn vader sinds hij besloot dat hij een superheld was.

De zwarte hoge hoed van de chauffeur is scheef op zijn hoofd gezakt wat hem een ietwat hipsterachtige uitstraling geeft. Met een beheerst tikje schuift hij hem weer op zijn plaats en loopt statig naar de achterkant van de lijkwagen waar de kist half in de auto en half door de kapotte achterruit hangt. De krans met witte bloemen die op de kist lag is over de weg geschoven en ligt enkele meters verderop. Witte blaadjes dwarrelen in een mini orkaantje richting de sloot.

De chauffeur probeert de kist op te tillen om hem weer op zijn plaats te schuiven. Ik snel ter hulp en samen duwen we hem weer door de ruit, in horizontale positie. Achter mij hoor ik verschillende autodeuren open en dichtslaan en ik durf me niet goed om te draaien. Daar komen de rouwenden.

         *

Er zit een haar in mijn eten.”
Ik probeer een zucht te onderdrukken en mijn klantvriendelijke masker op te houden.
Dat is helaas het risico van een lunch in het kattencafé.”
Ik wijs naar de kleine lettertjes onderaan de menukaart,

‘Ondanks een hygiënische keuken, waartoe de katten volgens de regels van de Voedsel en Warenautoriteit geen toegang hebben, wil het nog wel eens voorkomen dat er een kattenhaar in uw eten belandt. Wij vragen hiervoor uw begrip.’

en naar Frits die met zijn anus op het tafelkleed zit en verongelijkt naar het bord van de klagende jongen kijkt. Naast de jongen zit een engelachtig meisje met vlechtjes en veertjes in haar blonde krullende haar, die hem ongetwijfeld hiernaartoe heeft gesleept. Ze heeft geen oog voor hem, maar maakt kusmondjes naar Frits, die daar weer geen oog voor heeft.

Met een vol dienblad draai ik mij om en breek bijna mijn nek over Tommie die precies achter mij op de vloer is gaan liggen. Hij lacht, en knuffelt verder met een kat, en ik vraag me opnieuw af of het wel een goed idee was om hem aan te nemen.

                                                                                        *
Ik hoor gesnik en gesnuif, haal diep adem en draai me om. Een korte, forse vrouw met paars haar heeft haar gezicht verstopt in een grote zakdoek. Voorbereid op een emotionele aanvaring houd ik mijn handen in een verontschuldigend ‘ik geef me over’ gebaar. Maar voor ik aan een excuus kan beginnen realiseer ik me dat de vrouw niet onbedaarlijk huilt, maar hysterisch lacht. Haar gezicht is inmiddels bijna net zo paars als haar korte pittige kapsel en ze mept me loeihard maar amicaal op mijn schouder.
Dit is zo typisch Henk, lacht ze astmatisch in mijn oor, hij liet zich nooit niet kisten en ging graag out with a bang!”
De lachrimpels bij haar ogen stromen als de aftakkingen van een rivier over haar gezicht. Naast haar staat een man die doet denken aan een nerveuze alpaca. “Och jeetje, och jeetje,” mompelt hij onophoudelijk. De vrouw neemt mijn hand in een ijzeren greep en stelt zich voor als ‘de weduwe’. Haar geamuseerde blik verandert in een van bezorgdheid als ze mij aankijkt, en ze omklemt met twee handen mijn gezicht.
Heremetiet jongen, dat is een jaap!”
Pas dan voel ik dat er bloed uit mijn wenkbrauw drupt. De weduwe commandeert en wijst, en voor ik het weet staat mijn ingedeukte Fiat 500 in de berm en zit ik tussen de weduwe en de alpaca op de achterbank van de volgauto.

                                                                                        *
Het dienblad kwak ik zo hard op het aanrecht dat er een oor van een kopje afbreekt. Ik stamp door de deur die naar het steegje achter het café leidt. Zittend op een leeg fristikratje tussen twee grote containers in steek ik een sigaret op. Vandaag is het precies een jaar geleden.

Ik had net een paar lijntjes coke klaargelegd voor mijzelf en het meisje, waarvan ik me de naam niet meer kan herinneren, dat ik uit het kattencafé had meegenomen. Iets met een A. Ze stond met haar hoofd schuin voor mijn boekenkast en las de titels op de ruggen van de boeken. Ik keek naar de kleine bleke hand die ze over de boeken heen liet glijden en stelde me voor dat ze straks met diezelfde hand mijn erectie zou omvatten. Ze keek over haar schouder alsof ze mijn gedachte had kunnen horen en ik boog me over de lijntjes.

Ze plofte naast mij neer op de bank, en ik ademde de geur van haar shampoo in. Groene appeltjes.

*

Geen zorgen, ik ben vijfenveertig jaar veearts geweest”, zegt de man die mijn hoofdwond afplakt. Zijn ogen worden komisch vergroot door zijn dikke brillenglazen en hij was de beste vriend van ‘Henk in de kist’. We zitten achterin de aula die langzaam volstroomt met nabestaanden. De weduwe komt nog even langs om te kijken hoe het met me gaat en ik maak aanstalten om op te staan maar ze gebaart dat ik moet gaan zitten. “Henk had je erbij willen hebben”. De aula is inmiddels zo vol dat er mensen achterin en langs de zijkanten tegen de muur staan.

Op Ring of Fire wordt de kist naar binnen gereden, sommige mannen scanderen zijn naam; “HENKIEEE!”

Bij mijn vader waren er een handvol mensen. En dan tel ik de begrafenisondernemer mee.

                                                                                        *

Haar benen had ze in kleermakerszit gevouwen en ze keek me aan terwijl ze met haar oorbel speelde. Ik trok haar op mijn schoot en zag haar hart kloppen onder de blanke huid van haar hals. Met een hand trok ik aan haar vlecht en drukte mijn lippen tegen haar halsslagader. Mijn andere hand liet ik onder haar rokje tussen haar benen glijden. Plagend langs het randje van haar ondergoed, steeds iets verder naar binnen. Haar ademhaling versnelde en ze probeerde onhandig mijn riem en broek los te maken. Gehaast trok ik zelf mijn broek en boxer naar beneden. Duwde haar slipje aan de kant en mijn pik naar binnen. Ik liet mijn handen over haar billen glijden en pakte haar vast om het tempo te bepalen. Toen ik in haar klaar kwam zag ik in de teleurstelling in haar ogen dat haar opwinding nog niet tot een hoogtepunt was gekomen.
Met vingers die naar kut roken en de chemische smaak van coke achter in mijn keel nam ik even later de telefoon op. Een arts vertelde me dat mijn vader een snoekduik van een flatgebouw had genomen. Om zijn hals had hij een rode cape geknoopt.

Ik druk de sigaret uit en loop door de keuken weer het café binnen. Tommie ligt nu op de bank met twee katten op zijn borstkas. Het stelletje is weg, hun borden staan nog op tafel. Het café is verder leeg.

Tom, sluit jij straks af? Ik moet even weg.”

Hij steekt zijn duim omhoog en ik weet dat de kans vrij groot is dat ik hem morgenochtend slapend aantref op dezelfde plek. Mijn baby blauwe autootje komt ronkend tot leven. Het duurt even voordat ik doorheb dat ik onderweg ben naar de begraafplaats.

                                                                                       *

Door de woorden van zijn familie en de liedjes die worden gezongen en afgespeeld komt Henk ‘de Tank’, zoals hij door de meeste mensen hier wordt genoemd, voor mijn ogen tot leven. Als zijn zoon geëmotioneerd het woord neemt dwalen mijn gedachten af naar mijn vader. Zou hij geweten hebben dat hij het mis had? Ik zie hem voor me, met zijn cape wapperend in de wind op de rand van de afgrond en tot mijn verbazing voel ik dat mijn wangen nat worden. Voor het eerst sinds zijn dood huil ik.

Na de dienst zit ik met rode ogen en een pul bier aan de bar samen met de weduwe, de alpaca, de veearts en de zoon, die naast mij op een kruk zit. Hij vertelt mij een amusante anekdote over zijn vader en vraagt dan naar de mijne. Ik neem een grote slok van mijn bier, hef mijn pul om met hem te proosten en zeg: “Mijn vader was een superheld.”

 

Taart

Mijn verjaardagstaart staat midden op de tafel. De verpleegkundige, die ik in gedachten ‘Jabba the Hut’ noem vanwege haar indrukwekkende omvang, haalt een mes op uit de personeelskeuken zodat de slagroomtaart aangesneden kan worden. In het kleine keukentje bij de woonkamer waar we zitten zijn scherpe voorwerpen uit den boze en op mijn taartbordje ligt dan ook een plastic vorkje dat net zo broos is als mijn geestelijk gestel.

Jabba komt met het mes hoog opgeheven terug gewaggeld, alsof ze net het zwaard Excalibur heeft bemachtigt.

‘Zo, dat maakt het een stuk makkelijker om deze prachtige taart te verdelen.’ Ze gebruikt de overdreven opgewekte toon die veel hulpverleners opzetten in onze aanwezigheid en ze moet haar stem verheffen om boven het geschreeuw van Joep uit te komen, die van slag is omdat hij een van zijn badslippers is kwijtgeraakt. We dragen hier allemaal badslippers. Met sportsokken. Behalve Edgar, die draagt rode pumps, of ballerina’s met polkadots.

Mijn moeder, die de taart heeft meegenomen, zit links van mij tussen de twee Wilma’s in en speelt nerveus met haar gouden oorbel. De ene Wilma schommelt met een gelukzalige glimlach van voor naar achteren en de andere is verwikkeld in een geanimeerd gesprek over haar diabetes, al is het niet helemaal duidelijk wie haar gesprekspartner is. Onze blikken kruisen elkaar en mijn moeder schenkt me een glimlach die haar ogen niet bereikt. Ik wil haar glimlach beantwoorden maar mijn lippen zijn zo gebarsten van de droge ziekenhuislucht en de medicatie dat ik de tere huid voel scheuren, en ik wend mijn blik af. Ik peuter aan het verband dat om mijn polsen gebonden zit. De wonden jeuken, wat betekent dat ze helen. Deze wonden wel.

Het gezelschap aan tafel wordt weerspiegeld in het raam ernaast en ik kijk naar mijn reflectie. Mijn lange bruine haar ziet er woest uit en de kringen onder mijn ogen zijn zo donker dat het lijkt alsof iemand mij twee blauwe ogen heeft geslagen. Ik bestudeer het spookachtig witte gezicht dat naar mij terugkijkt en heb moeite om mijzelf erin te herkennen.

De andere verpleegkundige, Peter-Paul, die achter zijn rug om Peter-Pervert wordt genoemd vanwege zijn onhebbelijke gewoonte zonder te kloppen je kamer of douche binnen te lopen, heeft Joep inmiddels enigszins weten te kalmeren en ze schuiven beiden aan. Joeps gezicht is vlekkerig, en hij draagt alleen zijn linker badslipper. Er hangt een snotdruppel aan zijn neus maar hij lijkt het niet te merken. Jabba snijdt mijn verjaardagstaart in evenredige stukken en legt bij iedereen een stuk op het bordje. Wendy, die hier tijdelijk is omdat er geen plek op de afdeling voor eetstoornissen was, schuift het bordje gelijk weg en gaat demonstratief achterover zitten met haar armen zo dun als luciferstokjes over elkaar geslagen.

Boven de tafel hangt een enigszins verfrommelde verjaardagsslinger waarvan de kleuren door de zon wat vervaagd zijn. ‘GEFELICITEER’ staat erop. De ‘D’ is waarschijnlijk vele verjaardagen geleden al onopgemerkt verdwenen. In mijn stukje taart wordt één klein kaarsje gestoken. Vijfentwintig konden het er niet zijn vanwege de rookmelders, maar eigenlijk begin ik weer opnieuw met tellen en in zekere zin voelt het ook als mijn eerste verjaardag.

Mijn moeder steekt het kaarsje aan. Haar vingers zijn geel van de nicotine en trillen een beetje.

‘Even zingen met zijn allen?’, vraagt Jabba, maar het is niet echt een vraag want ze zet gelijk met luide stem in, ‘lang zal ze leven, lang zal ze leven, lang zal ze leven in de gloria,’ en ik vraag me af of ik de enige ben die hier de ironie van inziet. Terwijl ik het kaarsje uitblaas begint Joep weer te schreeuwen. Edgar danst in een kleurrijk gewaad rond de rafel, Wendy geeft haar bordje nog een zet, en de taart belandt met een flats op het gele linoleum. De stemmen in mijn hoofd lachen, mijn onderlip scheurt open en de ijzeren smaak van bloed vermengt zich in mijn mond met die van slagroomtaart, en voor het eerst in lange tijd lach ik mee.

Wie niet weg is

Dit verhaal werd gepubliceerd in literair tijdschrift Op Ruwe Planken

De rook sijpelde als uitgestrekte vingers onder zijn slaapkamerdeur vandaan. Dat was het eerste wat hij zag toen hij zijn ogen opende, waar meteen tranen in sprongen. Uit gewoonte trok hij zijn versleten pantoffels aan alvorens de kamer uit te sprinten.

In de voorkamer likten blauw-gele vlammetjes aan de oude eikenhouten balken in het plafond. De keuken stond in lichterlaaie. Daar moest de brand ontstaan zijn. Hij keek naar de vuurzee en realiseerde zich dat zijn ouderlijk huis, de honderdjarige boerderij die voornamelijk uit oud hout bestond, onherroepelijk verloren was en hij draaide zich weer om. Hij sloot de slaapkamerdeur, stapte uit zijn pantoffels, die hij weer naast het bed neerzette, en kroop terug onder de deken die zijn lichaamswarmte vast had gehouden.

*

Als ze het durfde bleef ze soms even staan. Door de vuile ruiten zag ze een vaag lichtje en dan wist ze dat hij daarbinnen was. Maar ze liep steevast snel weer door. Tijdens de boswandeling dacht ze er over na. Fantaseerde ze dat zij het was die hem redde. Want dat was immers wat zij deed. Redden. Gewonde vogels, verstoten kittens en beschadigde mannen.

Als kind koos ze in speelgoedwinkels de meest afzichtelijke pluche beesten uit. De gedachte dat niemand hen wilde hebben kon ze niet verdragen. Haar psychiater zei dat ze al haar aandacht op anderen richtte om niet naar zichzelf te hoeven kijken. Een overlevingsmechanisme had hij het genoemd.

*

Hij legde zijn hoofd op het kussen. Op het sloop stond ooit een race auto afgebeeld die nu onherkenbaar vervaagd en vergeeld was. De verjaardag waarop hij de dekbed set had gekregen kon hij zich nog herinneren.

De bosanemonen stonden in bloei waardoor de hele achtertuin aan een sprookjesbos deed denken. Ondanks de warme lentezon had Ma een wollen deken over haar benen gelegd. Op de picknicktafel stond slagroomtaart en groene limonade. Hij had stiekem op de hooizolder gespeeld totdat Pa hem met bulderende stem de schuur uit had gejaagd.

In de keuken hoorde hij glas uit elkaar spatten. De rook kwam nu in dikke slierten onder de deur door.

Niet lang na die verjaardag was Ma gegaan. Een tijdje was er een constante stroom van mensen geweest. Vrouwen die hem over zijn bol aaiden en mannen die hem knul of jochie noemden. Vaak namen ze eten mee. Daarna kwam het Grote Zwijgen.

Ma had het huis gevuld met woorden. Het hologige wezen dat ooit zijn vader was geweest leek naast zijn vrouw ook zijn spraakvermogen te zijn verloren.

Hij keek naar de trouwfoto die op zijn nachtkastje stond. Zijn ouders in sepia. Het was het enige dat hij uit de ouderlijke slaapkamer had gehaald. Het was niet in hem opgekomen om er te gaan slapen.

Het ging geleidelijk. Een melkbus verbrijzelde Pa’s voet en vanaf dat moment leefden ze van Pa’s uitkering. Hij sloeg twee klassen over. De koeien werden weggehaald. De stofzuiger ging kapot. Op het rieten dak groeide mos. Lampen werden niet vervangen. Wat op de vloer viel bleef liggen. Hij kreeg en verloor een baan. De stroom werd afgesloten. Pa werd grijs. Hij werd kaal. Ze waren een eiland. En op een dag was hij de enige bewoner. Soms zei hij zijn eigen naam. Gewoon, om te horen of hij nog een stem had.

*

Vandaag. Dat had ze zich voorgenomen. Ze keek naar het zwakke lichtje achter het vuile ruit en omklemde met haar rechterhand stevig het handvat van het plastic tasje. Onderin zat haar gebloemde thermosfles, gevuld met koffie. Daar bovenop twee vrolijk gekleurde plastic mokken én een doosje met chocolade schelpen. Fruits de mer stond erop. Dat vond ze zo mooi en luxe klinken.

Ze wilde net het overwoekerde pad naast het boerderijtje op stappen toen haar oog op een enorme ladder in haar panty viel, die onder haar knie begon en eindigde bij haar enkel. Met haar hand bewoog ze er driftig overheen, alsof ze hem op die manier weg kon vegen. Even bleef ze aarzelend staan maar daarna draaide ze resoluut om. Een eerste indruk maak je maar een keer.

*

De mensen waren bang voor hem. Dat wist hij best wel. Vooral de kinderen. Die verstopten zich achter hun vader of moeder en gluurden naar hem, zich angstig vastklemmend aan een ouderlijk been. Vroeger had hij geprobeerd de angst weg te nemen. Leuk te doen. Later maakte hij er een sport van om meer angst in te boezemen dan nodig was. Het was beter de mensen op afstand te houden.

Soms ging hij voor zijn huis in de berm staan met een zeis nonchalant in zijn hand. En dan gewoon voor zich uit staren. Als er dan iemand langs kwam zag hij ze vanuit zijn ooghoek nog lang over hun schouder kijken en moest hij zich inhouden om niet te grinniken. Maar er kwam zelden iemand langs.

Er kwam met een donderend geraas iets naar beneden in de woonkamer. Een gedeelte van het dak was ingestort.

In de zomermaanden werd het pad, dat voor zijn huis liep en naar het bos leidde, wel gebruikt door toeristen. De mensen die in de omgeving woonden waren na verloop van tijd bijna allemaal een van de andere routes gaan gebruiken wanneer ze hun wandelingen maakten. De zelfkant van de maatschappij vermijdt men het liefst.

Eens in de zoveel tijd kwam iemand hem lastig vallen. Ze noemden zichzelf sociaal werker. Hij vond ze niet zozeer sociaal als wel opdringerig. Aangezien hij geen deurbel had stonden ze ongegeneerd door zijn ramen te turen. Veel konden ze er niet doorheen zien want de ramen waren zo zwart uitgeslagen van het vuil dat hij ook overdag een gaslamp aan moest hebben om iets te kunnen zien. Als hij het geklop op het raam of de deur hoorde was dat wat hij ineens zag.

Het vuil.

Het vuur maakte nu een bijna dierlijk geluid. Alsof het kleine boerderijtje verorberd werd door een bovennatuurlijk monster.

Dan zag hij zijn omgeving ineens door een vergrootglas. Al was het met het blote oog uiteraard ook duidelijk te zien. De vloerbedekking die er ooit had gelegen leek door de aarde opgeslokt te zijn en er was eigenlijk geen verschil meer te zien met de grond buiten. Op zolder stond een antieke, defecte stofzuiger. Hij kon zich nog herinneren hoe blij Ma met dat ding was geweest.

Overal lagen kleine bollen van stof en haar die als tuimel kruid in een Western over de vloer rolden als de lucht in beweging kwam. Een mens verliest meer haar dan je denkt.

Het toilet deed al meerdere decennia geen dienst meer als zodanig. Zijn behoefte deed hij gewoon buiten, of in een emmer die hij dan later leeggooide op de composthoop. Dat was het tweede waar hij zich ineens bewust van werd als iemand zijn territorium binnen probeerde te dringen. Hij rook het zelf niet meer, maar was ervan overtuigd dat de geur inmiddels overweldigend moest zijn.

De slaapkamerdeur was nu door de rook bijna aan het zicht onttrokken. Zijn keel begon te branden bij elke ademhaling en hij werd licht in zijn hoofd. Het was niet onaangenaam.

*

‘Kluizenaar komt om in vuurzee’. Zo had het in het plaatselijke krantje gestaan. ‘Zeer waarschijnlijk overvallen in zijn slaap’, aldus de brandweer. De dame van de gemeente kon haar niet vertellen of en wanneer er een begrafenis plaats zou vinden. Sporenonderzoek moest brandstichting nog uitsluiten.

Er was nog steeds een duidelijke brandlucht te ruiken. Onder haar zwarte begrafenis colbertje zocht een zweetdruppel langzaam zijn weg over haar rug. Het boerderijtje was vanwege instortingsgevaar omheind door grote hekken met zwart zeil. De witte bosanemonen die rondom groeiden staken fel af tegen de verkoolde ravage die tussen twee hekken door zichtbaar was. Ze legde het bosje bloemen dat ze had meegebracht tegen het hek, deed een stap naar achter en bleef even plechtig staan. Toen ze thuiskwam gooide ze al haar panty’s één voor één in de grijze container.

*

Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij voor het laatst een ander mens had gesproken maar het was mistig in zijn hoofd. Het was alsof er in hem iets ontbrak wat in andere mensen wel aanwezig was. Had hij het ooit wel gehad en was het samen met zijn moeder gestorven? Of was het er om te beginnen al nooit geweest?

Hij trok de deken over zijn hoofd en dacht weer terug aan die verjaardag. Hoe hij zich verstopt had op de hooizolder. Het stof dat in zijn neus prikte en het stro in zijn blote benen. Hoe veilig het gevoeld had onzichtbaar te zijn en van een afstand toe te kijken. Eigenlijk had hij zijn hele leven verstoppertje gespeeld, alleen was niemand hem komen zoeken.

De Ongelukkige Gelukskoekjesschrijver

Soms dacht de gelukskoekjesschrijver hele dagen na over wat er op zijn grafsteen te lezen zou zijn als hij heenging. ‘Hier rust de gelukskoekjesschrijver, hij heeft het geluk zelf nooit gevonden’, dacht hij op de slechte dagen. ‘Geliefde geluksbrenger gelukkig gestorven’ dacht hij op de goede dagen. Vandaag was een slechte dag. Eigenlijk had hij al maanden alleen maar slechte dagen gehad. Dat vertaalde zich naar de teksten die hij schreef. ‘Zoek je geluk ergens anders’ , schreef hij dan, of, ‘het leven is een feest, maar niet iedereen is uitgenodigd’, of, als het echt een vreselijke dag was, ‘je zult de komende dagen diarree hebben.’

*

Het vak van gelukskoekjesschrijver was geen keuze geweest. Wat veel mensen niet weten is dat alle gelukskoekjes teksten door één en dezelfde man worden geschreven totdat hij dood gaat of zijn zoon het overneemt. Tevens wordt doorgaans ten onrechte gedacht dat het koekje zijn oorsprong in China vindt. Zijn grootvader had het gelukskoekje echter in eerste instantie helemaal niet bedoeld als gelukskoekje maar gebruikte de koekjes als geheim communicatiemiddel met zijn Joodse vriendinnetje tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanwege de beperkte schrijfruimte en het ontdekkingsgevaar schreef hij in raadselachtige zinnetjes om het hart van zijn meisje te verwarmen. Na de oorlog begon hij de koekjes als gelukskoekjes op kleine schaal te verkopen aan bakkerijen en kruidenierswinkels. Uiteraard begon het pas storm te lopen toen zijn zoon, de vader van de huidige gelukskoekjesschrijver, de verkoop aan Chinese restaurants startte.

Hoewel de handel in gelukskoekjes voor een aanzienlijke rijkdom had gezorgd, waardoor de gelukskoekjesschrijver zijn teksten kon schrijven vanuit een prachtig oud herenhuis, beschouwde hij het vak dat van vader op zoon werd overgegeven als een vloek. Geluk was namelijk in de levens van alle gelukskoekjesschrijvers ver te zoeken geweest.

Het vriendinnetje van zijn grootvader werd de dag voor de bevrijding vergast in een concentratiekamp. En toen hij opnieuw de liefde vond stierf zij tijdens de bevalling van zijn enige zoon. Na een leven vol liefdesverdriet vond hij zeer ongelukkig zijn einde toen hij een hoefijzer op zijn hoofd kreeg dat hij voor geluk boven de deur had gehangen.

En ook de vader van de gelukskoekjesschrijver was geen geluksvogel geweest. Hij liep zoveel blauwtjes dat hij in het Guinness Book of Records kwam en was pas na vele afwijzingen eindelijk getrouwd. Ook zij kregen een zoon, waarna zijn vrouw er vandoor was gegaan met de buurvrouw en hij alleen met zijn zoon achterbleef. De reden dat de gelukskoekjesschrijver de taak van zijn vader al vroeg over had moeten nemen was minstens zo onfortuinlijk geweest. Zijn vader verslikte zich in een gelukskoekje terwijl hij achter het stuur zat en reed tegen een boom. Dat was althans wat er in het politierapport stond. De gelukskoekjesschrijver had er andere ideeën over.

Een ander symptoom dat het beroep met zich meebracht was dat er door zowel zijn grootvader, vader als door hemzelf vooral in aforismen werd gesproken. Wat mogelijk verklaarde waarom de mannen in zijn familie enigszins moeite ondervonden in het contact maken met vrouwen. ‘Je weet pas wat je kan, als je het probeert’ was een favoriet van zijn opa. ‘Een sneeuwvlok in een lawine voelt zich nooit verantwoordelijk’ placht zijn vader altijd te zeggen. Zelf sprak hij eigenlijk nooit tegen vrouwen. Immers, ‘om geen kritiek te ontvangen, zeg niks, doe niks, wees niks.’ Hij was er ook van overtuigd dat vrouwen zijn erfelijke kans op onheil alleen maar zouden vergroten.

*

Hij zat aan zijn schrijftafel met zijn hoofd in zijn hand, en een groot glas whisky naast zijn elleboog, uit het raam te staren toen de deurbel ging. Omdat er eigenlijk nooit iemand bij hem op bezoek kwam bleef hij onbewogen zitten. Vast iemand die het verkeerde adres had. Maar een paar tellen later ging de bel opnieuw, nu wat langer en dringender. Zuchtend kwam hij overeind en sjokte door zijn woonkamer. De vloer was bezaaid met erotisch getinte comicbooks en legoblokjes waarvan hij er een pijnlijk onder zijn hak kreeg. Hij nam met twee treden de trap naar de voordeur en keek door het kijkgaatje. Er was niemand te zien en hij stond al op de derde trede toen de bel opnieuw ging. Hij rukte de voordeur open en zag een hele kleine Aziatische vrouw staan.

‘Goedemiddag meneer. Mijn naam is Leya en ik ben van het IOC. Zou ik even met u kunnen spreken?’

De gelukskoekjesschrijver vroeg zich vertwijfeld af wat iemand van het Internationaal Olympisch Comité nou met hem moest. Er was vast sprake van een persoonsverwisseling.

‘Het IOC?’stamelde hij.

‘Het Internationaal Orgaan voor Chinese restaurants’, verduidelijkte de vrouw, die bijzonder aantrekkelijk was, viel hem nu op. Ze keek hem rustig aan, met grote ogen zoals alleen prinsessen in animatiefilms hebben. Hij stond haar nog steeds niet begrijpend en als een idioot aan te staren.

‘Zou ik misschien even binnen mogen komen?’

Een beeld van zijn rommelige huis drong zich aan hem op en hij stond op het punt om te weigeren. Maar het gebeurde hem niet vaak, of zeg maar gewoon nooit, dat er zomaar een adembenemende vrouw op zijn stoep stond. Was dat geen geluk?

‘Komt u binnen’.

Bovenaan de trap aarzelde hij even.

‘Heeft u een ogenblik?’

Voordat ze kon reageren sloot hij de deur naar de woonkamer achter zich en begon als een gek stripboeken, lego en half opgegeten, beschimmelde afhaalmaaltijden weg te werken. Hij opende de deur en verwachtte half een lege gang te zien. Maar ze stond er nog steeds.

‘Wilt u thee? Neemt u plaats.’ Hij gebaarde naar de bank en liep naar de keuken om water op te zetten. De fluitketel trilde in zijn handen. In ongemakkelijke stilte wachtte hij tot het water kookte en zette daarna een grote mok met daarop de tekst ‘keep calm and make tea’ voor zijn bezoek neer.

‘Ik zal maar gelijk met de deur in huis vallen. Allereerst wil ik zeggen dat wij uw familie dankbaar zijn voor de miljoenen gelukskoekjes die wij dankzij u aan onze klanten hebben kunnen aanbieden’.

De gelukskoekjesschrijver rechtte zijn rug en voelde zijn mondhoeken een beetje omhoog krullen. Was dit hoe trots voelde?

‘Dat gezegd hebbende, moet ik u helaas mededelen dat wij het afgelopen jaar steeds meer klachten hebben gekregen over de teksten in de gelukskoekjes.

Het IOC heeft klanttevredenheid op nummer één staan en kan hier niet meer omheen. Klanten moeten met een goed gevoel het restaurant verlaten.’Ze keek hem ernstig aan.’ De gelukskoekjes zijn niet gelukkig genoeg.’

In de stilte die hierop volgde kreeg hij het zo heet, dat hij naar zijn eigen lichaam keek om te zien of hij niet spontaan in brand was gevlogen, wat met zijn familiegeschiedenis niet geheel ondenkbaar was. Hij durfde geen oogcontact te maken en merkte dat, tot overmaat van ramp, dikke tranen op zijn shirt drupten.

‘Een leven zonder liefde is geen leven maar een bestaan’, was het enige dat hij, na wat wel een eeuwigheid leek, fluisterend uit kon brengen.

Ze had aarzelend zijn handen vastgepakt en gezegd dat ze het begreep. Zo waren ze blijven zitten tot de schemering in viel.

*

De volgende ochtend werd hij wakker op de bank. Verdwaasd keek hij om zich heen. Er was niemand in zijn huis en hij vroeg zich af of hij teveel had gedronken en alles had gedroomd. Maar zijn glas whisky stond nog steeds op dezelfde plek en zijn woonkamer zag er opgeruimd uit. Hij besloot zijn ochtend borrel over te slaan en maakte in plaats daarvan thee die hij dronk uit de mok waar zij uit had gedronken. Misschien lukte het hem nu om gelukkige gelukskoekjes teksten te schrijven en hij nam plaats aan zijn schrijftafel. Er kwam echter niets in hem op en hij werd overvallen door een enorm schuldgevoel bij de gedachte dat hij zeer waarschijnlijk zijn families gelukskoekjesimperium om zeep had geholpen. Hij wilde net zijn hoofd op tafel neerleggen toen de deurbel weer ging.

Wederom zag hij niets door het kijkgaatje en hij deed met bonzend hart de deur open. Leya stond met blosjes op haar wangen voor zijn deur onder een neon roze paraplu.

‘ Goedemiddag. Gisteren heeft het IOC een spoedvergadering gehouden in verband met de gelukskoekjescrisis en hierna is unaniem besloten dat ik aangewezen ben als uw nieuwe gelukskoekjesassistente.’ Ze keek hem verwachtingsvol aan vanonder de paraplu en leek ineens een beetje verlegen.

Hij had geen idee wat het inhield om een gelukskoekjesassistente te hebben maar zijn maag maakte salto’s in het vooruitzicht meer tijd met haar door te brengen dus hield hij de voordeur voor haar open.

‘Ik dacht dat we misschien een wandeling konden maken. Ik hou van het geluid van regendruppels op een paraplu.’

Zonder aan een jas of huissleutels te denken deed hij de voordeur achter zich dicht en nam de paraplu van haar over.

*

In de weken erna maakten ze elke dag een wandeling door de stad. Soms liepen ze langs de grachten, de drukke terrasjes, en aten ze Italiaans ijs. Meestal liepen ze door de parken waar ze op een rood geruit kleed picknickten en spelletjes backgammon deden. Bij zijn voordeur namen ze afscheid waarna hij zich aan zijn schrijftafel installeerde. Hij voelde zich op een vreemde manier lichter en zijn gelukskoekjes teksten begonnen langzaam aan te veranderen.

‘Je bent mooi zoals je bent’, schreef hij, en, ‘Je haar ruikt naar groene appeltjes, ‘Je hebt schattige voetjes’. Klanten lazen hun gelukskoekjes weer met een glimlach, als hadden ze uiteraard niet in de gaten dat de teksten helemaal niet voor hen bedoeld waren.

Na een jaar verkocht hij meer gelukskoekjes dan ooit en had hij genoeg moed bij elkaar geraapt om zijn belangrijkste tekst ooit te schrijven. Tijdens een picknick op hun favoriete plekje in het park opende zij het gelukskoekje en las het briefje waarmee hij haar ten huwelijk vroeg. En zo veranderde ze van zijn gelukskoekjesassistente in zijn vrouw. Niet veel later kregen ze een zoon en ze breidden het gelukskoekjesimperium uit met een aantal winkels in feestartikelen.

Toen hij vele jaren later voor een viskraam uitgleed over een augurk was zijn laatste gedachte voor hij stierf, ‘Het maakt niet uit hoe je sterft als je maar geleefd hebt’.

Wederhelft

Van het ene op het andere moment was je verdwenen. We waren een onafscheidelijk paar. En hoewel we beiden wat tekenen van slijtage begonnen te vertonen en we misschien meer op elkaar leken dan handig was, hoorden we echt bij elkaar. We deden alles samen en soms waren we zo één dat ik niet kon ontdekken waar jij eindigde en ik begon.

Waar jij nu bent is een van de grootste vragen des levens. Maar ik weet dat je daar niet de enige bent. Ik zal er waarschijnlijk nooit achter komen, maar ik hoop dat je gelukkig bent, waar je ook moge zijn.

De kans dat ik je weer zie is niet groot. Nu ik alleen ben laat men mij vaker links liggen. Soms word ik aan een ander gekoppeld maar het is niet hetzelfde.

Lieve linker sok, we gingen samen de wasmachine in maar ik kwam er zonder jou uit. Ik mis je, voor altijd de jouwe,

rechter sok