Huidhonger

Er bestaan mieren die bij overstromingen een vlot vormen
in elkaar verstrengeld zeilen ze soms maanden rond
op de lijken van hun opofferingsgezinde soortgenoten
het is tweehonderdveertien dagen geleden dat iemand mij aanraakte

met ingehouden adem, zoals ik deed toen ik een kind was
loop ik met bogen om mensen heen totdat ze in sterretjes oplossen
schurend tegen muren en winkelpuien, balancerend op het randje
van de stoep, rakelings langs het verlangen een hand uit te steken

ouderen verwelken als vergeten veldboeketten
achter broeierig glas, terwijl we toekijken
met halve gezichten kunnen we elkaar niet goed lezen
sterven doen we met schrale handen die tasten

in de leegte leg ik een opgevulde winterhandschoen
op mijn schouder en dans met een overjas
terwijl de radio de nieuwste cijfers verkondigt
lepelen we met gedesinfecteerde vingers pindakaas uit de pot
 
wil er iemand met mij een vlot bouwen
en afdrijven?

Dit gedicht stond in de top 1000 van De Gedichtenwedstrijd

Alomtegenwoordig

Het is jouw versleten groene regenjas
die werkeloos aan de kapstok hangt
iemands stem die ook klinkt als een contrabas
de drentelende kat die naar jouw schoot verlangt

de antieke lamp die het niet meer doet
je had beloofd hem te repareren
de moestuin die je met blote handen hebt omgewroet
de post die men aan jou blijft adresseren

het lege schaakbord waarop je mij soms liet winnen 
het krakende bed waarin ik jou mocht beminnen
het botte mes waarmee ik mij nu soms scheer                                                

Je geur leeft nog altijd in het linnen
al rust jouw lijf hier al lang niet meer
jij komt bij me binnen

Dit gedicht werd genomineerd voor de Willem Wilmink dichtwedstrijd 2021

Gewassen

Door haar laatste jurk aan een hanger
voor het slaapkamerraam
valt zonlicht zachtroze in
de kamer een kille moederschoot

In mijn palm ligt haar broze hand
breekbaar als een kolibrie
aderen die ooit als smalle rivieren
over huid meanderden
samen met het leven weggevloeid

Handen die mij ontelbare keren
wasten, knepen, liefkoosden
onophoudelijk in beweging
nu vaal en verstard als op de
verschoten familiefoto’s aan de muur

Patchoeli uit de emaillen lampetkan
schoon linnen en beginnend bederf
geuren wedijverend om de overhand
ik adem ze voorzichtig in
de natte spons op haar stille lijf
 
volgt zacht de bleke sporen
erfenis van mijn schepping
het water spoelt
mijn kindschap weg

Met dit gedicht deed ik mee aan de poëziewedstrijd van Uitgeverij Gopher met als thema intimiteit. Het gedicht werd geselecteerd voor de dichtbundel ‘De grootste intimiteit is het zwijgen’ en behoorde bovendien tot de drie beste gedichten. Het verscheen daarom als tweede gedicht in de bloemlezing.

Kluwen

Je past me

als een oude trui

behaaglijk en gevormd

naar de contouren van

mijn eigenaardigheden

Ik trek je aan

en dan weer uit

draag je

binnenstebuiten en

achterstevoren

ik woon in jou

neem je woorden

over en in me

op tot ik niet meer

weet welke

van mij zijn

Je ontrafelt me

trekt aan het steekje

dat al een tijdje

los zat

tot er niets

meer rest dan

kluwen

Kever

Zonnewarmte in stoeptegels gevangen
gloeiend op haar buik
losse veters kietelend tegen kuiten
die loom heen en weer zwaaien

Pastelkleurig krijt in dikke lagen
op de stenen
en in haar vlecht die steeds zachtjes
de grond kust

Flauwekul op de radio
overstemd door gesnurk
uit het huis
Het is een rode ogen dag

Haar neus zowat tegen de stoep gedrukt
waar een kever zijn weg zoekt
langs kleurrijke krijttekeningen

Zijn pikzwarte schildje glimmend
als de opgepoetste schoenen van haar vader
tijdens het afscheid

Tussen duim en wijsvinger
spartelen pootjes in het luchtledige
kleurt ze het schildje zacht roze

De eerste lauwe druppels
spatten op de tegels uiteen
Nog vijf pootjes over, nog vier

Regenwater kronkelt in
regenboogkleurige riviertjes richting de afvoer
Nu drie, nog twee

Onder versleten gympies
verplettert het schildje
zoals het leven soms doet
tot minuscule stukjes

Kat

Kat

Als ik voor een volgend leven
toch eens zelf mag kiezen
dan kom ik terug als jouw kat
en zit ik voor jouw deur te kniezen

dan wil ik erin
maar toch ook eruit
of allebei maar heel even
of allebei tegelijk

en dat ik dan ’s ochtends vroeg
mijn kopje nog nat van de dauw
langs je blote benen strijk

met mijn oplichtende ogen
laat ik je schrikken
in het holst van de nacht

spring op je bed
wat jij oogluikend zou toestaan
om met mijn ruwe tongetje
over je wangen te likken

als een volleerd contortionist
lig ik opgekruld te zonnen
in jouw vensterbank
snorrend van behagen

knijpend met mijn groene kijkers
geef jij je al gauw gewonnen
ook al negeer ik je verwaand
en zal ik mij luidkeels beklagen

over een chronisch gebrek
aan brokjes, aaitjes, gekriebel
om mij vervolgens voor een welverdiend dutje
op jouw toetsenbord te vleien

en als het dan tijd is dat ik weer vertrek
aan het einde van mijn negende leven
dan hoop ik dat ik terug mag komen als jouw kat
al was het maar voor heel even

Deinen

Ik werp mijn woorden
met een boog
in de zee
van oneindige golven

waar ze doelloos deinen
in de schittering
van het late licht

Tot ze aanspoelen
op schuimende koppen
langs de kustlijn
scherp als Strandgapers
venijnig als Venusschelpen

toch raap ik ze op
verzamel ze
en draag ze
naar het water

Gedachtestromen
trekken mij
de diepte in

de woorden staan
tot aan
mijn lippen

Door een woordenvloed
bedolven ga ik
genadeloos ten onder
in de branding
van gedachten

Kraker

Angst is ingetrokken
in mijn hoofd
heeft zijn koffers
uitgepakt en zijn voeten
op tafel gelegd

Voor de ramen
hangt hij rookgordijnen
die verduisteren
en uitzichtloosheid
teweegbrengen

Tot diep in de nacht
draait hij oorverdovend
schreeuwerige platen die
de buren, rust en rede,
tot wanhoop drijven

Soms bonk ik woedend
op zijn deur om mij
vervolgens toch weer
ontgoocheld en beschaamd
in zijn armen te wentelen

Dan vreet hij zich te barsten
aan zakken vol broosheid
afgeladen borden twijfel
en enorme stapels schroom
die ik zelf heb meegebracht
 
Mettertijd dijt hij uit
tot monsterlijke proporties
en we allebei onherroepelijk
gevangen zitten
in mijn hoofd

De Storm

Hier ben je neergekomen
dwars over het pad
gebroken en geknakt
de met mos overwoekerde zijde
naar boven

Je schors verpulverd
toen met donderend geraas
takken versplinterden
in je val
naar beneden

Je bast nu bloot
en onbeschermd
Op de plek van je ontstaan
een gapend gat
in de diepte

Om je gevallen kroon
dwarrelen dorre bladeren
Je wortels waaieren
als wanhopig reikende handen
in alle richtingen

De stam onder mijn hand
ruw, robuust en roerloos
Als reuzen reddeloos verloren
in het ruigst van de nacht
hoe moeten wij
zonder wortels
de storm trotseren?

Soms zie ik je

Soms zie ik je ineens
weer zoals in het begin
toen alles nog licht
toen alles nog zacht
toen we nog niets
verloren hadden

Als je in de ochtend
de slaap nog niet uit je ogen
je brood staat te smeren
onderwijl zachtjes fluitend

Wanneer we elkaar aankijken
in de spiegel
bij het tandenpoetsen
en we zonder reden
moeten lachen

Als je in slaap bent gevallen
op de bank met je hand
langs je gezicht
en onze zoon
op je borst

Soms zie ik je ineens
weer zoals in het begin
toen alles nog licht
toen alles nog zacht
toen we nog zoveel
zouden krijgen