Nederland-Luxemburg (waarom mijn vriend het liefst in zijn eentje voetbal kijkt)

“Waarom nemen ze niet gewoon allemaal een zakdoekje mee? Ze hebben toch broekzakken, of niet? Op deze manier ligt straks het hele veld vol met snot. Wel lekker slidings maken. En wat nou als het niet helemaal goed gaat en je halve gezicht zit onder het snot en je komt dan levensgroot op het scherm. Dat wil je toch ook niet?

“En waarom ziet Jasper Cillessen er altijd uit alsof hij een ernstige ziekte heeft, of nooit slaapt? Ik wou dat we Edwin van der Sar nog hadden.”

“Zag je dat? Robben en Sneijder gaven elkaar een kusje, wat schattig. Waar speelt hij ook alweer? Galatasaray? Is dat Spanje? Oh, Turkije. Daar kussen de mannen elkaar allemaal toch? Ik ga het even googelen. Wil je nog een biertje Lexi?”

“Hoe zat het nou ook alweer? Moeten we deze wedstrijd per se winnen? Op welke plek staan we ook alweer? Ik vind het altijd zo gezellig. Zo’n EK of WK. Wat is dit ook alweer? WK, oh ja. Hapjes erbij, drankje, leuk oranje jurkje scoren, misschien wat vrienden uitno….Hoe bedoel je het gaat niet om de gezelligheid? Waarom wordt je nou boos?”

“Ik vind Wesley Sneijder eigenlijk best een schatje met zijn muizen kopje. Hoe klein zou hij nou zijn. Vast niet heel veel groter dan ik ben. Ik ga het even googelen.”

“Jij denkt dat jij eigenlijk de bondscoach moet zijn? Dat denken de meeste mannen in Nederland toch? Maar misschien moet je de volgende keer gewoon solliciteren liefje!”

“Hij is toch nog 1.70. Gek, hij oogt veel kleiner.”

“Ze moeten er eigenlijk nog één bij scoren hé. Wacht maar, ik ga wel even plassen. Dat werkt altijd.”

“Ik zei het toch! Werkt altijd!”

“Heeft hij zijn haar er afgeschoren omdat hij kaal werd?

“Wie is dat nou weer, die ken ik helemaal niet.”

“Wil jij ook wat chipjes?”

“Dat lijkt me ook niet echt fris. Dat je shirtjes gaat ruilen snap ik nog wel. Maar je trekt dan toch niet het vieze zweetshirt van een ander aan”

“Daar zit ook geen grammetje vet aan, die Robben.”

“Wanneer is de volgende wedstrijd?”

 

Being an adult

We zitten bij de hypotheekadviseur want we gaan een huis kopen. Onze adviseur Frank is een amicale, hyperactieve hypotheekman die ons razendsnel door verschillende computerschermen met informatie heen loodst. Hij informeert ons over allerlei mogelijke vervelende situaties, werkeloosheid, arbeidsongeschiktheid, overlijden, maar ik luister eigenlijk maar met een half oor want ik zit me druk te maken over iets veel belangrijkers. Mijn handtekening.

Als Frank namelijk straks uitgepraat is moet ik mijn handtekening onder een document zetten en ik weet eigenlijk niet meer wat mijn handtekening is. Being an adult is mostly just googling how to do stuff maar being an adult is ook je handtekening zetten onder belangrijke, officiële documenten.

Ik kijk naar het scherm waar allerlei getallen op verschijnen en knik begrijpend naar Frank terwijl ik het steeds warmer krijg. Wanneer heb ik mijn handtekening voor het laatst gezet? En wist ik het toen wel of deed ik maar gewoon wat?

Zoals met eigenlijk alles in mijn leven ben ik ook wat mijn handtekening betreft wispelturig en besluiteloos en daardoor heb ik er dus in de afgelopen zestien jaar tientallen gehad. De enige die ik me nu op dit moment kan herinneren is iets met een vlindertje. Maar ik herinner me ook dat ik mezelf ineens te volwassen vond voor een handtekening met een vlindertje en het dus weer anders moest. Mijn vriend maakt grappen met Frank en ik lach schaapachtig mee. Straks loopt onze hele hypotheek spaak omdat ik een ongeldige handtekening zet. Ok, pull yourself together woman! Je kunt dit. Frank schuift een mapje mijn kant op en wijst met een pen aan waar mijn handtekening moet komen.

‘Dames eerst’ ,zegt hij, en ik neem de pen van hem over.

De punt zweeft enkele centimeters boven het papier en ik voel mijn wangen gloeien. Let’s get this over with. Ik krabbel een klein, krullerig dingetje en laat mijn adem, die ik kennelijk de hele tijd ingehouden had, ontsnappen en kijk naar het resultaat. Helemaal niet gek.

‘Wat een bescheiden handtekening, je mag best wat meer ruimte innemen hoor’, Frank glimlacht me bemoedigend toe en ik realiseer me dat hij gelijk heeft. Niet alleen wat mijn handtekening betreft maar in mijn hele leven. Ik mag best wat meer ruimte innemen. En daarmee bedoel ik niet dat het oké is dat ik sinds de start van mijn relatie wat kilo’s ben aangekomen maar gewoon, ik mag er best zijn, in deze wereld. Of zoals mijn lief altijd zegt; ‘Vaak ben je te bang’.

Frank tikt nogmaals op het papier.

‘Hier nog eentje’.

Ik schrik me rot, nu moet ik precies hetzelfde krabbeltje reproduceren. Dit keer iets groter misschien? Ik krabbel nog een keer. Ze zijn niet identiek en ik kijk kennelijk bezorgd want Frank stelt mij gerust.

‘Bijna niemand kan twee identieke handtekeningen zetten, dus maak je niet druk. Hij wijst weer. ‘Hier de laatste’.

Die zet ik met meer overtuiging. Ik krijg er bijna plezier in. De meeste mensen oefenen hun handtekening op een kladblokje, ik doe het even op mijn hypotheekofferte. BAM.

We hebben een huis gekocht! Zo volwassen : )

 

Stront aan de knikker deel II

Ik poep het liefst op mijn eigen toilet, om maar even met de (w.c.)deur in huis te vallen. Uiteraard geldt dat voor de meeste mensen maar ik ben daarin wel extreem. Niet alleen poep ik het liefst thuis, er mag zich tevens in een straal van ongeveer een halve kilometer geen ander menselijk (want katten houden nooit rekening met je privacy) wezen bevinden, en bij voorkeur zet ik een poepmuziekje aan, op vol volume.

Want stel je voor dat iemand mijn excrementen tegen het porselein hoort kletsen, of dat er onverhoopt andere onsmakelijke bijgeluiden ten gehore worden gebracht. The shame!

Poepen is niet sexy, of romantisch. Maar wel noodzakelijk, ook voor vrouwen, en dus een struikelblok voor mij in mijn gloednieuwe relatie, want er komt altijd dat onvermijdelijke moment waarop je moet poepen in het huis van je nieuwe liefde.

De eerste keer komt de aandrang gelukkig midden in de nacht, wat bijzonder is aangezien ik normaal altijd in de ochtend poep, maar mijn lichaam voelt kennelijk aan dat dit het uitgelezen moment is om in alle rust te kunnen kakken. Dus glip ik stilletjes het bed uit, sluip als een inbreker door het huis, en ga op het toilet zitten, oren gespitst voor het geval mijn geliefde uit zijn coma ontwaakt.

Als ik weer voorzichtig het bed in kruip en me lekker onder de dekens nestel, realiseer ik me ineens hoe belachelijk ik me gedraag. Poepen is de normaalste zaak van de wereld en niks om je voor te schamen. Ik besluit dat het afgelopen is met deze bullshit en val vastberaden weer in slaap.

‘Ik heb op je w.c. gepoept’, is het eerste wat ik de volgende ochtend, met enige trots, tegen mijn vriend zeg. Zoals wel vaker vergeet ik even dat andere mensen mijn innerlijke dialoog niet hebben kunnen volgen. Om niet helemaal als een volslagen idioot over te komen besluit ik verdere toelichting te geven en ik vertel hem over mijn enigszins afwijkende poepgedrag.

Hij kijkt mij een moment ietwat bevreemd aan. Dan haalt hij zijn schouders op.

‘Ok’, zegt hij slaperig, en hij drinkt zijn koffie.

Het weekend erop hangen we op de bank en kijken een serie als het moment zich weer aandient. Ik sta op om naar het toilet te gaan.

‘Wat ga je doen? Moet ie op pauze? vraagt mijn vriend.

‘Ik moet poepen’, probeer ik te zeggen zonder gêne en met een nonchalance die ik niet voel, dus het komt er toch een beetje bescheten uit.

‘Ok, zegt hij, en dan, ‘Oh, wacht even!

Hij loopt naar de platenspeler, zet hem aan en laat de naald op de draaiende plaat zakken. Hij geeft een draai aan de volumeknop en roept over de harde muziek, ‘Succes schatje!

Kostbaar

“ Met Marloes”, zeg ik met tegenzin.

“ Goedemiddag, u spreekt met Annemiek van Rabobank Leeuwarden”.

“Oh ja, u had een voicemailbericht achtergelaten. Sorry, ik heb nog geen tijd (ik bedoel eigenlijk zin) gehad om u terug te bellen. Hectische week, verhuizen enzo”.

“Ik bel u inderdaad even naar aanleiding van uw adreswijziging. Heeft u tijd om uw verzekeringen even door te nemen?”

“Ik ben op mijn werk, dus dat is prima.”

“U heeft een inboedelverzekering die u enige jaren geleden heeft afgesloten. Wilt u de dekking hiervan verhogen?”

“Verhogen? Euhm…”

“Mogelijk heeft u in de afgelopen jaren meer waardevolle bezittingen gekregen?”

Ik denk aan het bij elkaar geraapte kringloop/marktplaats zooitje dat mijn inboedel voor moet stellen.

“Waardevol?Euhm…Ik heb boeken.”

“Ik bedoel eigenlijk meer bezittingen zoals sieraden, computer, flatscreens…”

“Mijn sieraden komen van de markt of H&M, mijn laptop is stokoud en de ‘g’ mist van het toetsenbord en ik heb geen televisie. Eigenlijk bezit ik niet zoveel, behalve boeken.”

“Oh, ok….En woont u nog steeds alleen?”

“Nog steeds? Ja, ik verhuis alleen, of nou ja, met mijn twee katten, Louis en Dizzy….             Maar ik heb wel een vriend hoor”.(Te harde zenuwachtige lach)

Ongemakkelijke stilte

“U kunt ook een ‘buiten de deur’ verzekering afsluiten, vervolgt Annemiek, dan is uw tablet of iphone verzekerd als u buiten bent.”

“Ik heb geen tablet of dure telefoon.”

“Een dure fiets misschien?”Annemiek klinkt inmiddels een beetje gefrustreerd en ik probeer uit alle macht maar tevergeefs iets van waarde te bedenken.

“Nee, ook niet, gewoon een zwarte oma fiets.”

“Ok, dan laten we de verzekering ongewijzigd. Heeft u misschien verder nog vragen of onduidelijkheden?”

“Ja, waarom ligt er altijd zo’n ranzig laagje water bovenop je kwark?”

Nog ongemakkelijkere stilte

“Sorry. Nee, ik heb verder geen vragen. Bedankt voor het belletje en een fijne werkdag verder!”

“U ook, mevrouw van der Singel. Veel succes met verhuizen.”

Ik hang op en blijf met mijn telefoon in mijn hand voor me uit zitten staren. Ik kijk naar het gat in mijn afgetrapte gympen waardoor je mijn sok kunt zien en heel even vraag ik me af of ik een enorme, gloednieuwe flatscreen moet kopen op afbetaling of in goud moet gaan investeren.

Mijn oog valt op de foto van mijn neefje Benjamin die oplicht op de achtergrond van mijn mobiel en ik bedenk me dat ik wel degelijk vele kostbaarheden heb, al vallen die dan niet onder mijn inboedelverzekering.

Stront aan de knikker

‘Mevrouw? Wilt u ook zegeltjes? Hallooooo? Mevrouw?

Ik schrik op uit mijn dagdroom en zie dat het kassameisje met de blokjesbeugel ongeduldig met de zegeltjes in de aanslag zit en nog net niet geïrriteerd met haar ogen naar mij rolt. Ook de mensen in de rij achter mij, die inmiddels langer is geworden, kijken mij boos aan, al zie ik zelden breedlachende mensen in de supermarkt.

‘Sorry, ik stond even te dromen’, zeg ik verontschuldigend tegen iedereen en niemand in het bijzonder en de boze blikken houden aan. Ik sla de zegels snel af, prop de boodschappen in mijn tas, voordat ik gelyncht wordt, en loop met een bezorgde frons de supermarkt uit.

Ik weet van mijzelf dat ik regelmatig de neiging heb om in mijn eigen droomwereld te verdwijnen, maar dit is nou al de zoveelste keer dat ik niet op aarde ben. Vanmorgen nog stond ik mijn mond te spoelen met oog make-up remover en zocht ik tien minuten naar mijn sleutels die ik al die tijd gewoon in mijn hand had. Ik maak me zorgen. Dit zou wel hele vroege dementie zijn.

Ik hang de volle tas met boodschappen aan het stuur van mijn fiets en schud mijn hoofd. ‘Nee, geen dementie. Ik heb iets dat nog veel enger is. Terwijl ik in gedachten verzonken naar huis fiets en bijna aangereden wordt controleer ik mijzelf op de symptomen.

Verminderde eetlust? Check. Een onbedwingbare idiote grijns zonder duidelijk aantoonbare reden? Check. Wegspacen in het openbaar? Check, Check, Dubbelcheck. Stront aan de knikker.

Mijn fiets zet ik in mijn schuurtje en ik sleep de boodschappentas mee naar binnen. Terwijl ik de boodschappen uitpak en opruim, waarbij ik ongemerkt een blok kaas in de vriezer leg, probeer ik een snel opkomend gevoel van paniek te onderdrukken.

Zou het dan toch mogelijk zijn? Is er iemand door mijn zorgvuldig opgebouwde muur van paranoia, onzekerheid en cynisme gebroken? Hoe is dat mogelijk? Angstig plof ik neer op mijn met kattenharen bedekte bank. Net nu ik klaar was voor een leven als crazy catlady.

Ik probeer te bedenken wat dit precies betekent en wat ik nu moet doen. Onbekend met deze nieuwe situatie schiet me, behalve vluchten naar Mexico, niets te binnen dus besluit ik om te stofzuigen voordat ik zelf haarballen op ga hoesten. De muziek zet ik op standje burenruzie om zowel het geluid van mijn stokoude stofzuiger als mijn nerveuze gedachten te overstemmen.

Tevergeefs. IJzingwekkende visioenen van allerlei ongemakkelijk sociale situaties die dit met zich mee gaat brengen schieten door mijn hoofd en de zweetdruppeltjes die over mijn rug glijden hebben niet veel met de hitte te maken. Doodsangst en blijdschap tegelijk is een vreemde ervaring.

Misschien moet ik er met iemand over praten, besluit ik. Maar de gedachte om met een ander mens over dit angstaanjagende gevoel te praten lijkt een stap te ver. Ik stoot een van mijn katten zachtjes aan, en vertel hem dat ik misschien wel verliefd ben. De kat kijkt me neerbuigend aan, alsof ik de grootste idioot ben die hij ooit heeft gezien en ik moet lachen. Sommige dingen blijven gelukkig altijd hetzelfde.

Vrijheid

Met onrustige vingers trek ik een paperclip uit elkaar, staar uit het raam waar Leeuwarden uitgestrekt in de ochtendzon ligt, en droom over vrijheid. Voor de zoveelste keer denk ik na over een ontsnappingsplan. Een staatslot? Nee, te duur en je wordt nog eerder twee keer door de bliksem geraakt. Een rijke man aan de haak slaan? Nee, dan is een winnend staatslot nog waarschijnlijker. Kak.

Na vier heerlijke creatieve, productieve maar ook armoedige maanden in werkloosheid, ben ik sinds kort veertig uur per week aan de bak. In dienst. Een kantoorslaaf.

Elke ochtend begeef ik mij (wederom) in de stroom mensen die, als zombies met mobieltjes, naar de hoge gebouwen sjokken die de bescheiden skyline van de Friese hoofdstad vormen en haal mijn pasje langs een scanner om mij in de wereld van paperclips, perforators, printers, powerpoint presentaties en oneindige pakken papier te begeven.

‘Welke idioot heeft werken bedacht’, vraag ik me, niet voor het eerst, af en ik zucht zo diep dat de collega naast mij vanuit haar ooghoeken nieuwsgierig naar mij gluurt. Ik probeer mijn aandacht op het beeldscherm voor mij te richten, maar ik ben alweer afgeleid als ik een gesprek van twee mannelijk collega’s opvang.

,,Nog iets leuks gedaan dit weekend, Geert?”

`,,We zijn naar het Anne Frank huis geweest. Één groot drama.”

Terwijl ik denk dat hij met het ‘drama’ op de Tweede wereldoorlog en het lot van Anne Frank doelt, steekt Geert van wal over zijn schoonvader die van de trap was gevallen en iets over plotselinge diarree, en ik moet hardop lachen om de ironie van de uitspraak. Mijn buurvrouw kijkt mij nu inmiddels ietwat angstig aan en twijfelt duidelijk aan de gezondheid van mijn verstand. Ik probeer bemoedigend naar haar te glimlachen en mij als een normaal mens te gedragen.

De uitspraak van Geert heeft mij echter aan het denken gezet over hoe wij, westerlingen, omgaan met onze privileges, die ons enkel en alleen ten deel vallen doordat we de mazzel hadden geografisch gezien gunstig geboren te worden. Woorden als drama, hel en verschrikking lijken een andere betekenis voor ons te hebben gekregen en worden nonchalant de wereld in geslingerd, als vuile sokken op de slaapkamer van een pukkelige puberjongen. En ook ik maak mijzelf hier regelmatig schuldig aan.

Terwijl de levenloze lichamen van bootvluchtelingen tussen het plastic zwerfafval in de Middellandse Zee drijven praat ik over de hel die de Primark is op een regenachtige zaterdagmiddag, waar ik voor een schijntje een Pink Floyd pyjama koop die vakkundig door kinderhandjes in elkaar geknutseld is. In Nepal zitten mensen gevangen onder het puin van wat ooit hun thuis was en ik klaag over de verschrikking van een veertigurige werkweek.

Ik kijk om me heen naar mijn collega’s die er allemaal gezond en blij uitzien en ik neem me voor om minder te klagen over mijn westerse luizenleventje met z’n eerste wereld problemen. Ik heb mijn vrijheid en ik heb het goed.

De rest van de dag gaat in mijn optimistische stemming vrij vlot voorbij en voor ik het weet haast ik me alweer naar het station om mijn trein te halen. Ik heb mijn mp3 speler luid gezet en dans vrolijk heen en weer over het perron tot ik over de luidspreker de omroeper hoor vermelden dat mijn trein wegens een storing elders niet zal rijden.

Gefrustreerd ruk ik mijn oortjes uit en stampvoet het perron af terwijl ik de NS hartgrondig vervloek en me bij de andere klagende, chagrijnige reizigers voeg. Nu moet ik bijna een uur wachten en heb ik geen tijd meer om te sporten. Wat is het openbaar vervoer toch ook een drama. En natuurlijk begint het ook nog te regenen. Wat een hel. Het is verschrikkelijk. Kill me now.

Bigfoot

”En, hoe gaat het met daten?”

” Ik zit elke avond in mijn uppie onder een flikkerend kaal peertje aan een éénpersoons magnetronmaaltijd met Leonard Cohen als achtergrondmuziek. Dusss…..”

”Echt?”

”Ok, dat is misschien een tikkeltje overgedramatiseerd. Ik heb gewoon een gezellige schemerlamp en de meeste avonden kook ik zowaar voor mezelf.  Maar overdrijven is ook een vak zei mijn vader vroeger altijd.”

”Maar voel je je dan nooit alleen?”

”Meestal is het heel vermakelijk in mijn hoofd en ik verveel me nooit, maar soms vraag ik me inderdaad wel eens af waarom zelfs Hitler een relatie had en in India de mussen met elkaar in het huwelijk treden, terwijl het voor mij maar nooit lijkt te lukken in de liefde. Dan voel ik me wel eens een beetje een kneus ja, om eerlijk te zijn.”

”Ik snap het ook niet, je bent zo’n leuk mens. Misschien stel je gewoon te hoge eisen?”

”Tja, dat zou kunnen. Ik heb volgens mij bijna alle mannen op tinder al weg geswiped.”

”Wat voor mannen veeg je zoal weg dan?”

”Hmm, even denken. Mannen met enorme vissen, of die doen alsof ze de tour de France fietsen. Mannen die zelfs in bed hun zonnebril op lijken te houden, mannen die té naakt zijn. Belachelijk knappe mannen, of misselijkmakend onaantrekkelijke mannen. Mannen met foto’s van hun (ex)vriendin. Per ongelukjes. Oh, en mannen met zo’n schakelketting om.”

”Ok, nou dat klinkt nog helemaal niet zo veeleisend. Behalve misschien die ketting, die kan natuurlijk gewoon af. En voor wat voor man zou je dan wel vallen?”

”Tinder is eigenlijk ook veel te plat voor een verstokte romanticus zoals ik. Eigenlijk ben ik op zoek naar Bigfoot. Een mythisch wezen dat alleen bestaat in films en fabels. Een kruising tussen Jamie Dornan, Johnny Depp uit Don Juan en Brandon Boyd…     We ontmoeten elkaar terwijl we in de boekwinkel allebei naar hetzelfde boek grijpen, onze vingers raken elkaar en het voelt alsof er elektriciteit door ons heen gaat. Hij maakt een gevatte opmerking waaruit gelijk blijkt dat hij intelligent is en over humor beschikt, én is assertief en vraagt of ik iets met hem wil drinken, waarna we in een Frans aandoend cafeetje doordringend in elkaars ogen staren, alwaar hij uiteraard vertelt dat hij hersenchirurg is, en in zijn vrije tijd graag aan (met ontbloot bovenlijf) beeldhouwen doet.”

”Zulke perfecte mannen bestaan niet, en bovendien, zou je dat echt willen?”

”Nee, je hebt gelijk, dat klinkt als een slechte romantische chick flick. En ik zou mijzelf in vergelijking dan de hele tijd een enorme loser voelen. Eigenlijk zou ik heel blij worden van een gewone leuke man.”

”Nou, dat kan toch niet onmogelijk zijn?”

”Dat zou je denken inderdaad. Maar in mijn geval….Ik trek nou eenmaal een bepaald soort mannen aan. De kalende vijfenveertig jarige buschauffeur, de psychiatrisch patiënt, de flierefluitende muzikant/kunstenaar met bindingsangst, mannen die een luier willen dragen die ik dan moet verschonen. Je kent het wel.”

”Jeetje, ik ben ineens heel blij met de saaie lul die al jaren thuis naast mij op de bank zit.”

”Dat moet je ook zijn. De kans dat je iemand vindt die jij leuk vindt, en die op zijn beurt, jou met al je neuroses en gekke gewoonten ook niet uitkotst is eigenlijk miniem. Voor mij is het inmiddels waarschijnlijk al te laat. Ik ben al te lang alleen en zou op dit punt zoveel aanpassingsproblemen hebben in een relatie dat het gedoemd is om te mislukken. Ik bedoel, ik slaap als een zeester met ADHD, daar kan je toch niet iemand naast leggen? Dat is zielig.”

”Daar wen je vast wel weer aan.”

”En wanneer kan ik dan nog ongestoord in mijn pyjama in de woonkamer dansen op foute muziek die ik stiekem leuk vind. Of rare gesprekken met mijn katten voeren in gebrekkig Fries. Of poepen met de wc deur open.”

”Wij poepen ook met de wc deur open.”

”Gatverdamme.”

”Maar ik snap wel wat je bedoelt. Je hoeft nu met niemand rekening te houden en kan doen waar je zelf zin in hebt. Het is natuurlijk ook best eng als je je patronen misschien wel moet doorbreken en vaste gewoontes los moet laten.”

”Precies. Ik heb een goede relatie met mezelf, en ik begrijp mezelf tenminste. Meestal. Over het algemeen. Zo nu en dan. We’ve got a good thing going! Dat geef ik niet zomaar op voor de eerste willekeurige dude die langs komt.”

”Dat lijkt me een prima standpunt. Misschien moet je ook helemaal niet zoeken naar de liefde. Dan is de kans veel groter dat je het vindt.”

”Ja, dat zeggen mensen inderdaad altijd, maar dat is natuurlijk bullshit. Tenzij er ineens een goddelijke, vrijgezelle inbreker in mijn huis staat, zie ik namelijk vrij weinig gebeuren als je niet zelf ook je ogen openhoudt en er voor open staat.”

”Misschien sta je er dan onbewust toch niet helemaal voor open, of ben je blind voor toenaderingspogingen van mannen.”

”Welke toenaderingspogingen?”

‘Ja, precies, dat dus.”

”Hmm, ok, point taken. Misschien word het tijd dat ik mijn figuurlijke hutje in het bos, waar ik heb zitten wachten met een fototoestel en een vangnet tot mijn Bigfoot langs zou komen, verlaat en me in de echte wereld ga begeven.”

”Mooi gezegd.”

”Maar ik kan mijn hoop op Biggie niet helemaal opgeven. Dat ben ik mijzelf, als dromer, nou eenmaal verschuldigd. En ik troost mezelf met de gedachte dat bijna alle grote schrijvers hun leven in eenzaamheid sleten. Wie weet, misschien levert het me, net als Hemingway, ooit nog eens de Nobelprijs voor de Literatuur op.”

”’Schoot hij zichzelf niet door zijn hoofd met een jachtgeweer?”

”……Euh, ja. Meer koffie?”

Shiny Happy People

Ik stap de trein uit, probeer mijn haar te fatsoeneren, dat er eeuwig uitziet alsof ik op een stormachtige dag een strandwandeling heb gemaakt, en zie hem staan wachten aan het einde van het perron. Versleten gympen onder een stone washed jeans, zwarte schippersjas, stoppelbaardje op een prachtige kaaklijn, alsof hij zo uit een te duur modeblad is gestapt.

Hij is in gedachten verzonken, een frons tussen zijn wenkbrauwen, maar zijn hele gezicht licht op als hij mijn kant op kijkt. Zijn ogen schitteren en hij doet mij denken aan een puppy die zijn favoriete speeltje ziet, na het een lange tijd gemist te hebben.

Ik glimlach onwillekeurig en hoewel het lastig is op de hoge hakken die ik draag versnel ik mijn pas en loop in zijn richting. Zijn lach reikt nu bijna van oor tot oor en ik zie dat hij zich inhoudt om niet te gaan rennen. De afstand tussen ons wordt steeds kleiner en hij laat zijn rugzak vast van zijn schouder op de grond zakken, klaar voor de omhelzing.

Ik check uit bij de NS en loop hem rakelings voorbij. Over mijn schouder zie ik hoe zijn prachtige vriendin die achter mij liep in zijn uitgestoken armen verdwijnt en hem zoent, en ik vervolg zuchtend mijn weg. Fucking shiny happy people.

Tante Marloes

Ik pas voor het eerst een hele dag op mijn eenjarige neefje, Benjamin. Best een verantwoordelijkheid vind ik, en mijn ervaring met baby’s is ook nog niet zo heel ruim en hij is bovendien ook nog een beetje ziek. Maar uiteraard kijk ik er naar uit om een dagje alleen met hem door te brengen.

Om tien over acht in de ochtend sta ik bij mijn zus voor de deur, Benjamin en ik zwaaien haar uit, ik zet hem in zijn kinderstoel, geef hem een minuscuul stukje brood waar hij gelijk in begint te stikken.

‘Oh, great. Mijn zus is één seconde weg en ik heb hem al vermoord’, denk ik, terwijl het zweet mij aan alle kanten uitbreekt, en ik twijfel tussen de Heimlich greep of gewoon ondersteboven hangen aan zijn voeten. Benjamin loopt ondertussen net zo rood aan als ikzelf, en ik sta op het punt om hem uit zijn tafelstoel te rukken en in paniek met hem door het huis te rennen, als hij, na wat een eeuwigheid lijkt, een slijmerig stukje brood uitspuugt waar nog één hagelslagje aankleeft.

Ik ben hier net een halve minuut maar ik heb het gevoel alsof ik in die dertig seconden tien jaar ouder ben geworden, en ik begin wat beter te begrijpen waarom ‘nieuwe’ ouders er soms zo afgeleefd uitzien. Pas een kwartier later heb ik voldoende moed bij elkaar geraapt om hem het volgende stukje brood te geven en ik hou hem angstvallig in de gaten terwijl hij er met zijn vier tandjes op kauwt. Benjamin houdt zijn hoofdje scheef en kijkt nieuwsgierig terug.

Als het broodje, godzijdank, op is, gaan we tussen zijn speelgoed zitten en we vermaken ons een tijdje met zijn auto’s, die mechanisch klinkende liedjes zingen die enorm in je hoofd blijven zitten. Of eigenlijk moet ik zeggen dat ik me vermaak terwijl Benjamin op mijn schoot zit vastgeplakt en toe kijkt wat zijn gekke tante allemaal doet.

Ik hoor mijn telefoon gaan in de keuken, maar zodra ik opsta begint Benjamin gelijk te brullen op niveau brandalarm dus ik pak hem maar weer op en neem hem mee naar de keuken. Mijn mobiel is inmiddels gestopt met ‘rinkelen’, maar ik heb wel een voicemail berichtje. Ik zet Benjamin weer neer en terwijl hij zich aan mijn panty omhoog probeert te hijsen en hard loeit probeer ik het telefoonnummer te verstaan en noteren dat de beller heeft achtergelaten. Ik heb er drie pogingen voor nodig en ik begrijp nu beter waarom mijn zus mij wat minder vaak belt tegenwoordig.

Benjamin hangt nu als een aapje om mijn nek en weigert los te laten. Dus ga ik maar met hem op de bank zitten waar we zesentwintig keer achterelkaar het boekje over boerderij dieren lezen. De eerste paar keren haal ik mijn beste dieren imitaties uit de kast, tot Benjamins genoegen, en ik hinnik, knor en loei (en hoe doe je in godsnaam een konijn?), maar ik voel mijn enthousiasme en energie level rap zakken en uiteindelijk slaat Benjamin de bladzijden om terwijl ik een enorme gaap probeer te onderdrukken. Tijd voor een dutje.

Ik breng Benjamin naar zijn slaapkamer en probeer zijn armpjes in zijn pyjama mouwen te wurmen zonder iets uit de kom te trekken, of te breken en verschoon zijn luier terwijl hij ondertussen honderdtwintig ingewikkelde yogaposities uit lijkt te proberen. Ik leg hem in zijn bedje, geef hem zijn speen en knuffeldoekje en loop stilletjes zijn kamertje uit. De deur doe ik zachtjes achter me dicht en ik slaak een diepe zucht. Hoe doen ouders dit in vredesnaam dag in dag uit! Ik voel me geradbraakt.

Met de babyfoon vlakbij ga ik aan de keukentafel zitten om te schrijven. Het is heel stil en ik controleer of de stekker van de babyfoon er wel goed in zit. Ik ga weer zitten. Sta weer op en check of het volume wel aan staat. Ga weer zitten. Ik vind het te stil en sta weer op om aan zijn deur te luisteren. Ik hoor niks en in mijn hoofd spelen zich allerlei rampscenario’s af. Dus doe ik voorzichtig de deur open en pas als ik zijn kleine borstkasje op en neer zie gaan haal ik zelf ook weer adem en doe de deur weer dicht.

‘Ok, hij leeft nog, dus doe normaal en relax’. Maar de rest van zijn dutje zit ik aan tafel met mijn pen zwevend boven het papier, oren gespitst op het kleinste teken van gevaar. Ik voel me een moederbeer die haar jong moet verdedigen. Het is doodvermoeiend en ik ben zelf ook wel toe aan een dutje.

Een paar uur later haal ik hem weer uit bed. Hij is al wakker en staat te springen in zijn ledikantje, een brede lach op zijn gezichtje. Ik beantwoord zijn lach (hoe kun je daar nou niet blij van worden) en til hem uit bed, pyjama weer uit, kleertjes weer aan. Krijg zijn hoofd niet goed door de opening, zijn linker sok is inmiddels nergens meer te bekennen, maar we ploeteren vrolijk verder.

Ik geef hem een knaloranje fruithapje, dat op een gegeven moment voornamelijk in zijn (en mijn) haar zit en daarna, omdat hij nog steeds nergens mee wil spelen, zet ik de radio aan en dans ik met hem door de kamer terwijl ik zachtjes meezing. Vooral cocaïne van JJ Cale valt bij hem in de smaak. Ik krijg kramp in mijn armen maar neerzetten is geen optie.

Als om half zes mijn zus thuiskomt, voel ik opluchting. Het is voorbij, ik ben gesloopt, maar hij leeft nog! Mijn zus neemt hem van mij over en vermoeid laat ik mijzelf op de grond zakken. Tussen de enorme speelgoed chaos bedenk ik me dat ik een nieuw gevonden respect heb voor ouders, inclusief de mijne, die dit drie keer gedaan hebben. Ik heb ineens zin om naar mijn krakkemikkige huisje te gaan, waar mijn katten en de afwas de enige verantwoordelijkheden zijn die op mij wachten. En die afwas kan ook best nog een nachtje blijven staan.

Hersendiarree

Voor mijn verjaardag trakteert mijn zus mij op een dagje naar de sauna. Een middag lekker bijkletsen, afvalstoffen uitzweten, lekker eten, baden in luxe en natuurlijk, ontspannen. Van te voren ontdoe ik mij ‘vakkundig’ van mijn wintervachtje, waarbij ik in mijn enthousiasme mijn achillespees bijna doormidden scheer. Pleisters zijn natuurlijk in de chaos die mijn badkamer heet nergens te bekennen, maar gelukkig heb ik de parafernalia van mijn zeer recente rook verleden minder goed weggewerkt als gedacht en ik probeer het bloeden te stoppen met rizla vloei (rood), en hoop dat ik straks geen bloedspoor achter zal laten in het zwembad.

Ik heb mijn smoezelige, inmiddels gebroken witte, badjas met brandgaten van vele nachtelijke sigaretten, het enige badlaken dat ik bezit, knaloranje, en de badslippers die vijf maten te groot zijn in een tas gepropt en ben helemaal klaar voor een verwendagje.

In de sauna aangekomen worden we vriendelijk begroet en de eucalyptus en hammam geuren wasemen ons al tegemoet. Ik voel me nu al schoner dan net en ik sta nog maar op de drempel. Van de knappe dame (volgens mij mag je niet lelijk zijn als je in de wellness wereld werkt) achter de balie, krijgen we onze kluisnummers en we plannen ook nog een massage in. We lopen langs het sereen klaterende fonteintje de trap op naar de kleedruimtes en zoeken onze kluisjes op.

Ik wurm mij vlug en ineens onhandig uit mijn kleren, schiet snel in mijn badjas en stouw mijn spullen in het iets te kleine kluisje. Het duurt altijd even voor ik geacclimatiseerd ben en ongegeneerd in mijn blote kont rondloop, en ik heb ook altijd het gevoel alsof ik iets vergeet. Ik heb immers geen plaats voor mijn telefoon en dat voelt misschien nog wel naakter dan het gebrek aan kleding.

Na een korte douche stappen we onze eerste sauna binnen. Het betreft een panorama sauna, wat zoveel betekent als een groot raam met uitzicht op een mooie tuin waar naakte mensen zich door de sneeuw van de ene naar de andere sauna spoeden. Borsten en piemels in alle vormen en maten passeren de revue.

giphy1

De één heeft putjes, de ander streepjes, buiken lubberen, billen drillen en botten steken uit. Haar, geen haar, patronen, moedervlekken, rimpels en littekens. Hier geen Photoshop of make-up om te verbloemen hoe een gewoon mens eruit ziet, en ik stoor me ineens een stuk minder aan mijn gevulde bilpartij en het vetlaagje op mijn buik, dat daar maar hardnekkig blijft zitten.

De sauna zit vol met vrouwen en het is net alsof ik mij in een extra verwarmd kippenhok bevind, er wordt naar hartenlust gekakeld. Ik sluit mijn ogen en probeer mijn geest leeg te maken. Tijd om te ontspannen. Maar ik merk al gauw dat het gekakel in mijn hoofd nog luidruchtiger is dan dat van de vrouwen naast mij. Hoe harder ik probeer om nergens aan te denken, hoe sneller de gedachten over elkaar heel tuimelen.

“Heb ik nog wel toiletpapier in huis? Hoeveel geld staat er eigenlijk nog op mijn rekening? Als buitenaardse wezens ons op dit moment zouden bestuderen wat zouden ze dan van deze naakte, op een hoopje zittende, zwetende aardbewoners denken? Wat zijn mensen toch ook rare wezens. Die vrouw links in de hoek komt mij bekend voor, is zij niet een oud collega? Lastig te herkennen zonder kleren. Heb ik het gehakt wel uit de vriezer gehaald? Wat als ik nou nooit een leuke baan vind, waarom heet schaamhaar eigenlijk schaamhaar?”.

Het zweet stroomt in hetzelfde moordende tempo als mijn gedachten, en voor ik het weet gaan we de winterse kou alweer in om af te koelen.

Ok, nieuwe ronde, nieuwe kansen. We besluiten een opgieting bij te wonen en we voegen ons bij de groep mensen die hier al voor in de rij staan. De saunameester (waar helaas niet dezelfde aantrekkelijkheidsstandaard voor geldt als bij de vrouwelijke wellness medewerkers) opent de deuren, en men verdringt zich om zo snel mogelijk een plekje te vinden.

giphy

Met een ongeïnteresseerde houding en een blik alsof hij de zwaarste baan ter wereld heeft giet de saunameester een geurtje op het vuur en begint halfhartig met een vlag te wapperen. De gevoelstemperatuur gaat omhoog en er wordt inderdaad een geur door de sauna verspreidt al wordt deze overstemt door de muffige zweetlucht die van de saunameester zelf af lijkt te dampen.

Maar goed, ik sluit mijn ogen en geniet van de hitte. De riekende man wappert nu met een handdoek. Net wanneer ik bijna in een gedachteloze, meditatieve toestand weg lijk te glijden, zwiept de onoplettende knaap de punt van de handdoek snoeihard tegen mijn hoofd. Een hoorbare ‘pets’ doorbreekt de stilte.

Mijn zus die een melige grijns niet kan onderdrukken fluistert in mijn oor.

“Sloeg hij jou nu net met zijn handdoek?”

Ik beantwoord haar grijns met een onnozele glimlach en knik bevestigend. Het kalme gevoel heeft inmiddels plaatsgemaakt voor alertheid en de rest van de opgieting duiken we, allebei giechelend, angstig in elkaar wanneer de saunameester verschillende voorwerpen bij ons langs zwaait. De ontspanning is nog ver te zoeken.

Maar na een heerlijke lunch (twee kroketten op brood, want ik zweet die calorieën er vandaag wel weer af, heus) staat de massage op het programma, dus nu gaat het vast wel lukken. De, wederom fris ogende, jongedame geeft mij een handbotjes brekende handshake die hopelijk geen voorbode is van een pijnlijke massage marteling, en ik ga, enigszins op mijn hoede, met mijn gezicht naar beneden op de massage tafel liggen.

Het massagemeisje gaat aan de slag en ze weet duidelijk wat ze aan het doen is, maar het lukt mij maar niet om me er aan over te geven omdat ik letterlijk bang ben om de kroketten, die inmiddels vrij zwaar op mijn maag liggen, over te geven, of een enorme boer te laten. Dit gevoel zakt gelukkig vrij snel weer weg maar zodra mijn lichaam geen probleem meer is neemt mijn brein gelijk weer alle ruimte in en ik realiseer me dat ik me nu afvraag wat het massagemeisje ondertussen allemaal aan het denken is en of ze haar werk, waarbij ze elke dag naakte mensen aan moet raken, soms ook vreemd of ongemakkelijk vind. Daarna schakelt mijn hoofd weer moeiteloos over op de grote levensvragen, zoals waar mijn leven naar toe gaat, waardoor ik ineens waarheen, waarvoor, van Mieke Telkamp in mijn hoofd heb, wat dus vervolgens de soundtrack is bij mijn massage.

De rest van het wellness dagje verloopt ongeveer op dezelfde wijze en al gauw staan mijn zus en ik alweer voor onze kluisjes, waar we ons met tegenzin in onze kleding hijsen. We rekenen af, stappen in de auto en gaan huiswaarts. Terwijl de lichten van de straatlantaarns voorbij flitsen en de lampen van de auto de sneeuwvlokken verlichten die ons als een meteorieten regen tegemoet vliegen, valt de ontspanning plotseling over mij heen als een warme deken en ik zak wat dieper weg in mijn stoel. Soms is het stoppen van de zoektocht de beste manier om te vinden wat je zoekt.