Sneeuwbol

Ik wil je in een sneeuwbol bewaren
waarin je enkel zacht wordt overladen
door traag vallend goudfolie
wanneer de wereld op zijn grondvesten schudt

ik wil je ogen voortdurend bedekken
wimpers teder strelend in mijn handpalm
alleen het licht door de vingers zien
onbezoedelde ziel behoeden voor hartzeer

strak vasthouden laat striemen achter
in het reliëf van je huid lees ik mijn eigen verhaal
wrik mijn verkrampte vingers een voor een los
en kijk hoe je vleugels zich langzaam ontvouwen

Huidhonger

Er bestaan mieren die bij overstromingen een vlot vormen
in elkaar verstrengeld zeilen ze soms maanden rond
op de lijken van hun opofferingsgezinde soortgenoten
het is tweehonderdveertien dagen geleden dat iemand mij aanraakte

met ingehouden adem, zoals ik deed toen ik een kind was
loop ik met bogen om mensen heen totdat ze in sterretjes oplossen
schurend tegen muren en winkelpuien, balancerend op het randje
van de stoep, rakelings langs het verlangen een hand uit te steken

ouderen verwelken als vergeten veldboeketten
achter broeierig glas, terwijl we toekijken
met halve gezichten kunnen we elkaar niet goed lezen
sterven doen we met schrale handen die tasten

in de leegte leg ik een opgevulde winterhandschoen
op mijn schouder en dans met een overjas
terwijl de radio de nieuwste cijfers verkondigt
lepelen we met gedesinfecteerde vingers pindakaas uit de pot
 
wil er iemand met mij een vlot bouwen
en afdrijven?

Dit gedicht stond in de top 1000 van De Gedichtenwedstrijd

Alomtegenwoordig

Het is jouw versleten groene regenjas
die werkeloos aan de kapstok hangt
iemands stem die ook klinkt als een contrabas
de drentelende kat die naar jouw schoot verlangt

de antieke lamp die het niet meer doet
je had beloofd hem te repareren
de moestuin die je met blote handen hebt omgewroet
de post die men aan jou blijft adresseren

het lege schaakbord waarop je mij soms liet winnen 
het krakende bed waarin ik jou mocht beminnen
het botte mes waarmee ik mij nu soms scheer                                                

Je geur leeft nog altijd in het linnen
al rust jouw lijf hier al lang niet meer
jij komt bij me binnen

Dit gedicht werd genomineerd voor de Willem Wilmink dichtwedstrijd 2021

Tetris

Je verschuift je organen
maakt plaats in de kern
van je wezen
keert binnenstebuiten
en wacht

                   tot alles weer

op zijn plek                                                                                             

                valt


alsof je
Tetris speelt met jezelf
maar de blokjes passen niet
en alles is vervormd tot
onherkenbare stukken

je maakt ruimte en
 smeert
jezelf uit als het
laatste restje jam
onderuit de pot
ijzer tegen glas
op uitgedroogde
boterhammen
mijlenver verwijderd
van wie je was
of dacht te zijn

dat het lichter zou voelen
zonder het eindeloos dragen
en aftellen
na de vermenigvuldiging
het delen van je oogkleur
en overgevoeligheden
de moeder wordt niet altijd
geboren met het kind


Vreemde vogels

Zo hoort het niet
zeiden ze en
je doet het niet goed
maar niemand vroeg
waarom
of vertelde
hoe het dan moest
in een omgekeerde wereld

waarin het ei
de vogel uitbroedt
er met vaste stift
omlijnd wordt
terwijl jij tracht
jezelf uit te vlakken tot
er niets meer rest
dan vage grijze vegen op
een verkreukelde zaterdagkrant

je moet blijven
zeiden ze maar wel
binnen deze lijnen
ze trekken
handenvol veren uit
de mooiste
tot je vleugellam
en monddood
niet meer vallen kan
of vliegen

Met dit gedicht werd ik genomineerd voor de Rob de Vos-prijs 2020. Vreemde vogels ontving een eervolle vermelding.

Gewassen

Door haar laatste jurk aan een hanger
voor het slaapkamerraam
valt zonlicht zachtroze in
de kamer een kille moederschoot

In mijn palm ligt haar broze hand
breekbaar als een kolibrie
aderen die ooit als smalle rivieren
over huid meanderden
samen met het leven weggevloeid

Handen die mij ontelbare keren
wasten, knepen, liefkoosden
onophoudelijk in beweging
nu vaal en verstard als op de
verschoten familiefoto’s aan de muur

Patchoeli uit de emaillen lampetkan
schoon linnen en beginnend bederf
geuren wedijverend om de overhand
ik adem ze voorzichtig in
de natte spons op haar stille lijf
 
volgt zacht de bleke sporen
erfenis van mijn schepping
het water spoelt
mijn kindschap weg

Met dit gedicht deed ik mee aan de poëziewedstrijd van Uitgeverij Gopher met als thema intimiteit. Het gedicht werd geselecteerd voor de dichtbundel ‘De grootste intimiteit is het zwijgen’ en behoorde bovendien tot de drie beste gedichten. Het verscheen daarom als tweede gedicht in de bloemlezing.

Kringloop

Leegte overspoelt hem
als een onvoorziene wolkbreuk
op een zachte dag in mei
beide kastdeuren opengeklapt

druppels in verwarmingsbuizen
oorverdovend in de stilte
zij had altijd meer ruimte ingenomen
voor elk seizoen een plankje

nu in stapels op de sprei
een fluweelzachte trui
tegen zijn betraande wang
het diep hemelsblauw van
haar geliefde zijden blouse

de streling van haar linnen
zomerjurk tegen de huid
van een vreemde

onverdraaglijk

een snoekduik in een zee
van haar geuren

de kringloop is morgen
ook weer open

Zandloper

Mijn tenen duiken als synchroonzwemmers
kopje onder in het fluweelzachte zand
met gebruinde vingers trek ik velletjes
van je zonverbrande schouderbladen
Jouw hand vormt een zandloper
die de tijd koel en kriebelig laat verstrijken
over de binnenkant van mijn benen
De zee ademt ruisend in
het duingras volgt de trage choreografie
van de fluisterende wind
in de branding springen kinderen
over brekende golven
een hond schudt glinsterende waterdruppels
uit zijn doorweekte vacht
de wijnrode druiven
exploderen als zoete granaten
tegen mijn gehemelte
Het zout van de frietjes
uit het bakje dat we delen prikt
op onze schraal gekuste lippen
blijft de glimlach langer hangen
dan de vliegers aan de strakblauwe hemel

Vagevuur

Verstrikt in klamme lakens
trekt zweet een omlijning
om onze lichamen als krijt
om de doden
De aarde dwingt ons ongenadig
op de knieën
drukt ons tegen haar brandende boezem
en tracht ons tegelijkertijd tevergeefs
van haar af te schudden
terwijl we gutsen en druipen
verlangend omhoogkijken
vraag ik me angstvallig af
of dit nu de zomer
van twintig twintig is
of toch misschien
het vagevuur